Ik heb geen familie meer — allen zijn overleden — en ook zeer weinig vrienden, dus ik ging op mijn verjaardag (de 24ste september jongstleden) naar café Amperzat op de Noordervaart 194, het café dat op de zijmuur aan de buitenkant het &-teken heeft staan. Toen ik Joop de Bruin, de barkeeper, eens vroeg naar de betekenis van dit logo, zei hij: ‘Neem nog maar een borreltje.’
Het was rustig in het café, omdat de meeste jongens aan het trainen waren voor de eerstvolgende keiwerpwedstrijd. We zaten met zijn vieren: mevrouw Josje de Waal, de heren Grouw en Van de Wetering en ikzelf.
Ik vertelde het gezelschap dat ik jarig was en tracteren zou, waarop de heer Grouw voorstelde om met zijn vieren een potje te gaan dobbeljassen. Uiteraard deed ik mee, gezelligheid kent geen tijd. Ik had het spel al eens eerder gespeeld en wist dus hoe het ging. Ik zal het even uitleggen.
De vier spelers zijn Zuid, Noord, Oost en West. Zuid en Noord spelen tegen Oost en West. Er zijn 32 kaarten in het spel: de 2, 3, 4, 5, 6, 7, de boer en de aas van de vier kleuren. Elke speler krijgt dus acht kaarten.
De puntentelling is: 1 punt voor de zes cijferkaarten, 2 voor de boer en 11 voor de aas. De troefboer echter is 20 punten waard. Verder lijken de regels op het bekende klaverjassen, dus ook de 20 of 50 punten roem tellen, en de roem voor bijvoorbeeld vier zevens is 100 punten, evenals de roem voor vier azen. De roem voor vier boeren is 200 punten.
Het aardige van het dobbeljassen is dat er twee aparte dobbelstenen in het gebruik zijn. Een vierkantige dobbelsteen, met daarop de vier kleuren van het kaartspel (harten, ruiten, schoppen, klaveren). En een achtkantige dobbelsteen, waarop 2, 3 enz. tot en met aas.
Voor elk spelletje worden beide dobbelstenen gegooid. Stel dat er harten 6 wordt gegooid. De speler die die harten 6 in zijn kaarten heeft, mag uitkomen en moet, samen met zijn maat, meer dan de helft van de punten halen.
Er worden 16 spelletjes gespeeld, waarna het totaal van de punten worden opgeteld en er een winnend en een verliezend koppel is.
Ik weet niet of het toeval was, maar tot mijn grote genoegen wonnen de heer Grouw en ik bijna alle spelletjes. Vooral Josje de Waal spekte ons, wat de heer Van de Wetering tenslotte van kwaadheid deed ontploffen. Hij zei, na 16 spelletjes: ‘Ik moet weg! Ik ga, godverdomme!’
vrijdag 24 september 2010
donderdag 23 september 2010
Jij schrijft die brief
Mijne Heren,
Tot mijn grote genoegen — ik ben weliswaar geen inwoner van Dirkswoud, maar ik bezoek uw lieflijke dorp vaak, rijdend in mijn comfortabele, witte Citroën Berline. Afgelopen maandag was ik nog in uw gemeente, in verband met de feestelijke voorbereidselen voor het keiwerpen. Er werd op die maandagmiddag een kei geworpen (helaas!) naar één der feestvierders, waarschijnlijker leek het mij dat die kei geworpen werd ‘zomaar ergens naar toe’ en dat die kei voornoemde feestvierder bij toeval op het hoofd trof. Hij werd geworpen vanuit ongeveer de richting waar ik stond. Ik stond achter een tien- of twintigtal andere feestvierders. Ik heb niet gezien wie de kei gooide. Ikzelf kan het niet gedaan hebben, want waar zou ik zo een kei vandaan moeten hebben gehaald? Uit de keientros, zult u zeggen. Maar daar stond ik ver vanaf, zeker vijftig meter. De keientros wordt ook nog eens goed bewaakt door de dames Van der Star en Molenbeek. Bovendien is mijn werparm onlangs gebroken en in het Medisch Centrum Alkmaar gezet, zoals u op bijgaande foto kunt constateren. Dus: a) waar haal ik een kei vandaan? en b) hoe zou ik die kei moeten hebben geworpen? Met mijn linkerarm, zult u zeggen. Maar ik ben compleet éénarmig, heren! Ik veeg mijn billen af met mijn rechterhand, ik schrijf met mijn rechterhand, ik eet met mijn rechterhand. Ik doe alles rechts. Dus ik kan die kei nooit geworpen hebben, en zeker niet gericht geworpen hebben naar één der feestvierders. Die ik overigens in het geheel niet ken, ik heb zijn naam wel horen roepen: Ambrosius ter Vogel, of iets van die orde. Maar ik was het dus niet — tot mijn grote genoegen neemt u het onderzoek naar de moord of doodslag op genoemde Ter Vogel serieus. Het is goed om te weten dat de politie actief is in Dirkswoud, en dat men zich veilig kan wanen in uw prachtige dorp. Uiteraard blijf ik beschikbaar als getuige in deze zaak, maar veel meer dan wat ik u in dit schrijven heb verteld, weet ik niet.
Een vriendelijke groet van
uw Ben Hoogeboom.
Tot mijn grote genoegen — ik ben weliswaar geen inwoner van Dirkswoud, maar ik bezoek uw lieflijke dorp vaak, rijdend in mijn comfortabele, witte Citroën Berline. Afgelopen maandag was ik nog in uw gemeente, in verband met de feestelijke voorbereidselen voor het keiwerpen. Er werd op die maandagmiddag een kei geworpen (helaas!) naar één der feestvierders, waarschijnlijker leek het mij dat die kei geworpen werd ‘zomaar ergens naar toe’ en dat die kei voornoemde feestvierder bij toeval op het hoofd trof. Hij werd geworpen vanuit ongeveer de richting waar ik stond. Ik stond achter een tien- of twintigtal andere feestvierders. Ik heb niet gezien wie de kei gooide. Ikzelf kan het niet gedaan hebben, want waar zou ik zo een kei vandaan moeten hebben gehaald? Uit de keientros, zult u zeggen. Maar daar stond ik ver vanaf, zeker vijftig meter. De keientros wordt ook nog eens goed bewaakt door de dames Van der Star en Molenbeek. Bovendien is mijn werparm onlangs gebroken en in het Medisch Centrum Alkmaar gezet, zoals u op bijgaande foto kunt constateren. Dus: a) waar haal ik een kei vandaan? en b) hoe zou ik die kei moeten hebben geworpen? Met mijn linkerarm, zult u zeggen. Maar ik ben compleet éénarmig, heren! Ik veeg mijn billen af met mijn rechterhand, ik schrijf met mijn rechterhand, ik eet met mijn rechterhand. Ik doe alles rechts. Dus ik kan die kei nooit geworpen hebben, en zeker niet gericht geworpen hebben naar één der feestvierders. Die ik overigens in het geheel niet ken, ik heb zijn naam wel horen roepen: Ambrosius ter Vogel, of iets van die orde. Maar ik was het dus niet — tot mijn grote genoegen neemt u het onderzoek naar de moord of doodslag op genoemde Ter Vogel serieus. Het is goed om te weten dat de politie actief is in Dirkswoud, en dat men zich veilig kan wanen in uw prachtige dorp. Uiteraard blijf ik beschikbaar als getuige in deze zaak, maar veel meer dan wat ik u in dit schrijven heb verteld, weet ik niet.
Een vriendelijke groet van
uw Ben Hoogeboom.
woensdag 22 september 2010
Een te gemakkelijk doelwit
Als u hier klikt en daar de naam ‘Engelbertus’ intikt, dan krijgt u Angilbertus van Keulen en Engelbrecht Terborg (een van de martelaren van Alkmaar) te zien, maar een Heilige Engelbertus is er niet. Wie wil daar verandering in aanbrengen? Pastoor E. de Zeeuw van de St. Clarakerk te Dirkswoud.
Uit zijn preek van afgelopen zondagochtend: ‘Beminde parochianen, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen. Stilte, godverdomme! Wat wij hier in onze parochie nodig hebben, is een heilige. Een man die wij kunnen vereren, stilte!, die wij kunnen aanroepen als wij in de hoogste nood zitten. Een man — en ik zeg dit met de grootste bescheidenheid, ik buig voor u — een man zoals ikzelf. Engelbertus.
Wie wel eens gekeken heeft in een heiligenboekje, zal daar de naam Engelbertus niet tegenkomen. Daar barst het van de Jacobs en de Johannussen. Geen Engelbertus. Dat gaan wij, gelovigen van Dirkswoud, veranderen.
Nu wil het hoofdbestuur van onze kerk in het Vaticaan iemand wel zalig en daarna heilig verklaren, maar dan moet het wel gaan om iemand die een wonder heeft verricht. Ook moet hij een christelijk leven hebben geleid. Voor wat dat laatste aangaat: een christelijk leven heb ik zeker geleid. Ecce homo. Stilte! In saecula saeculorum.
We moeten ook een wonder hebben, en dat wonder hebben we. Meneer Kees Wulp, staat u eens op. De heer Wulp was vroeger hardloper, zoals u allen weet, en hij kreeg onlangs een abces in zijn rechterbeen. Het been zou geamputeerd moeten worden, volgens de heren doktoren. Maar hij kwam naar de pastorie en vroeg om hulp. Waar of niet, Kees? (De heer Wulp knikt van ja.) Ik heb toen het rechterbeen van de heer Wulp gezegend en ik heb de plaats van het abces met wijwater besprenkeld. Lieg ik, Kees? (De heer Wulp schudt van nee.) Ga even in het middenpad staan, Kees, en doe je broek omlaag. Dan kunnen de mensen zien dat je been niet is geamputeerd. Stilte!
Doe je broek maar weer omhoog, Kees, en ga naar je plaats terug. Bij God is alles mogelijk, dat is nu wel duidelijk. Ik weet zelf ook niet wat ik precies gedaan heb, maar ik heb wel gebeden: God, laat dat rechterbeen van Kees Wulp, uw trouwe dienaar, niet verloren gaan. Alstublieft!
Dus dat wonder hebben we ook, en nu moet ik een schrijver hebben die deze hele geschiedenis in een nette brief kan opsommen, in een brief aan paus Benedictus XVI. Die brief moet maar in het Duits geschreven worden, want dat verstaat de paus. Wie kan dat? Steek uw handen maar op. Oké, Marcel, jij schrijft die brief.’
Uit zijn preek van afgelopen zondagochtend: ‘Beminde parochianen, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen. Stilte, godverdomme! Wat wij hier in onze parochie nodig hebben, is een heilige. Een man die wij kunnen vereren, stilte!, die wij kunnen aanroepen als wij in de hoogste nood zitten. Een man — en ik zeg dit met de grootste bescheidenheid, ik buig voor u — een man zoals ikzelf. Engelbertus.
Wie wel eens gekeken heeft in een heiligenboekje, zal daar de naam Engelbertus niet tegenkomen. Daar barst het van de Jacobs en de Johannussen. Geen Engelbertus. Dat gaan wij, gelovigen van Dirkswoud, veranderen.
Nu wil het hoofdbestuur van onze kerk in het Vaticaan iemand wel zalig en daarna heilig verklaren, maar dan moet het wel gaan om iemand die een wonder heeft verricht. Ook moet hij een christelijk leven hebben geleid. Voor wat dat laatste aangaat: een christelijk leven heb ik zeker geleid. Ecce homo. Stilte! In saecula saeculorum.
We moeten ook een wonder hebben, en dat wonder hebben we. Meneer Kees Wulp, staat u eens op. De heer Wulp was vroeger hardloper, zoals u allen weet, en hij kreeg onlangs een abces in zijn rechterbeen. Het been zou geamputeerd moeten worden, volgens de heren doktoren. Maar hij kwam naar de pastorie en vroeg om hulp. Waar of niet, Kees? (De heer Wulp knikt van ja.) Ik heb toen het rechterbeen van de heer Wulp gezegend en ik heb de plaats van het abces met wijwater besprenkeld. Lieg ik, Kees? (De heer Wulp schudt van nee.) Ga even in het middenpad staan, Kees, en doe je broek omlaag. Dan kunnen de mensen zien dat je been niet is geamputeerd. Stilte!
Doe je broek maar weer omhoog, Kees, en ga naar je plaats terug. Bij God is alles mogelijk, dat is nu wel duidelijk. Ik weet zelf ook niet wat ik precies gedaan heb, maar ik heb wel gebeden: God, laat dat rechterbeen van Kees Wulp, uw trouwe dienaar, niet verloren gaan. Alstublieft!
Dus dat wonder hebben we ook, en nu moet ik een schrijver hebben die deze hele geschiedenis in een nette brief kan opsommen, in een brief aan paus Benedictus XVI. Die brief moet maar in het Duits geschreven worden, want dat verstaat de paus. Wie kan dat? Steek uw handen maar op. Oké, Marcel, jij schrijft die brief.’
dinsdag 21 september 2010
Hij heeft hen veel ongeluk gebracht
De 44 jaar oud geworden Dirkswouder dikzak Albertianus de Vogel is gistermiddag overleden. Niemand treurt om hem. Zijn ouders niet, het dorp niet, de buitenstaanders ook niet. Niemand. Hij was een vervelende, vette kwast, zijn gehele leven lang. A mentally retarded son-of-a-bitch, zou ik zeggen, als ik Engels kon spreken.
Behalve in het besmeuren van auto’s (zoals mijn witte Citroën Berline, in 1983) was hij ook goed in het doen ontstaan van caféruzies. Joop de Bruin, houder van café Amperzat aan de Noordervaart 194, weet ervan mee te praten: ‘Ik praat nooit slecht over mijn gasten, want dat doe ik niet. Maar Albertianus was wel speciaal, al is iedereen voor mij gelijk, natuurlijk. Als Albertianus aan de bar zat, dan wist je: dat wordt vechten straks. Hij lispelde iets met zijn linkerbuurman over de vrouw van zijn rechterbuurman. Vervolgens lispelde hij met zijn rechterbuurman over zijn linkerbuurman, en dan was het knokken. Albertianus keek daar dan trots naar. Maar ik moest het dan oplossen met mijn honkbalknuppel!’
En zo ging het elke keer. Waar Albertianus was, daar werd geknokt of daar werden hete tranen vergoten. Tot gistermiddag.
Ik was speciaal naar Dirkswoud gereden in mijn comfortabele, witte Citroën Berline, voor de jaarlijkse Keien Inzamelings Middag, die steeds op de derde maandag van september wordt gehouden. Die keien worden gebruikt voor het mooie spel van het keiwerpen. De keien worden dan ook gesplitst of baaidroid (bijgeslepen) en gewogen, totdat ze het juiste gewicht hebben van 10 of 5 kilogram per stuk. De gehele Dirkswouder bevolking was aanwezig, en ook Albertianus was er. Hij is uiteraard nimmer raper geweest, want met zijn vette gestalte zou hij een te gemakkelijk doelwit zijn. Hij is ook nooit als toeschouwer aanwezig geweest bij het keiwerpen. ‘Te gevaarlijk,’ zal wel zijn laffe excuus zijn geweest.
Nu stond hij daar in de menigte, toen er plotseling een kei van 10 kilogram door de lucht vloog en op wiens hoofd belandde die kei? Op de met zijn handen in zijn broekzakken staande, niets vermoedende Albertianus de Vogel. Hij was onmiddellijk dood, een ambulance werd zelfs niet besteld. Hij wordt donderdag begraven. Eind goed, al goed.
maandag 20 september 2010
Het is inmiddels zo lang geleden
Dirk de Vrome (1126-1184) werd tijdens zijn leven, en nog lang erna, ook wel Dirk de Idioot genoemd. Hij was geboren met een ‘lam lincker oogh’, wat waarschijnlijk betekende dat hij eenzijdig blind was, en met een mentale retardatie, waardoor de verstandelijke vermogens zich niet met de normale snelheid ontwikkelden en ook nooit een normaal niveau bereikten. Hij was de oudste zoon van Graaf Dirk VI van Holland en Sophia van Rheineck. Hij heeft hen veel ongeluk gebracht.
Volgens de beschrijvingen van hofschrijver Desiderios (wie noemt zich nu Desiderios?) was hij een ‘quaatwillent mannekijn’, met wie geen land viel te bezeilen. Toen in Hasselt (Belgisch Limburg) een augustijner klooster werd opgericht, werd Dirk daarheen gezonden (1136), maar ook daar kon men hem niet de baas, en hij keerde na een jaar weer terug in de boezem van de eigen familie. Hij werd wel Dirk de Vrome genoemd, na dit jaartje klooster.
Het moet een groot geluk voor het graafschap Holland worden genoemd dat niet Dirk maar zijn jongere broer Floris III de graaftitel kreeg, na het overlijden van zijn vader. Er zijn brieven van de hand van Dirk de Vrome bekend, gericht aan paus Alexander III, waarin hij voorstelt een Orde van Alessandrianen te stichten (uiteraard onder zijn eigen leiding), die zich zou gaan bezighouden met het ‘kuisen van waereltse geleeghenheeden’. Het verbranden van drinkgelegenheden, hoerenhuizen, huizen van marktkooplieden etc., bedoelde hij. Het is er gelukkig niet van gekomen.
Dirk de Vrome is nooit gehuwd geweest. Wel zijn nog enige beschrijvingen overgebleven van betrekkingen die hij had met Anna van Dirxwoude, een ‘sinnigh kint’. Wij weten niet of dat ‘sinnigh’ verstandig betekent of iets anders.
In 1182 werd hij door zijn broer Floris III tot Graaf van Hoorn benoemd (waarschijnlijk om van alle ruzie en herrie af te zijn), in 1183 gaf hij Dirxwoude de stadsrechten, waarom zijn Anna hem had verzocht, en in 1184 stierf hij. God hebbe zijn ziel.
Volgens de beschrijvingen van hofschrijver Desiderios (wie noemt zich nu Desiderios?) was hij een ‘quaatwillent mannekijn’, met wie geen land viel te bezeilen. Toen in Hasselt (Belgisch Limburg) een augustijner klooster werd opgericht, werd Dirk daarheen gezonden (1136), maar ook daar kon men hem niet de baas, en hij keerde na een jaar weer terug in de boezem van de eigen familie. Hij werd wel Dirk de Vrome genoemd, na dit jaartje klooster.
Het moet een groot geluk voor het graafschap Holland worden genoemd dat niet Dirk maar zijn jongere broer Floris III de graaftitel kreeg, na het overlijden van zijn vader. Er zijn brieven van de hand van Dirk de Vrome bekend, gericht aan paus Alexander III, waarin hij voorstelt een Orde van Alessandrianen te stichten (uiteraard onder zijn eigen leiding), die zich zou gaan bezighouden met het ‘kuisen van waereltse geleeghenheeden’. Het verbranden van drinkgelegenheden, hoerenhuizen, huizen van marktkooplieden etc., bedoelde hij. Het is er gelukkig niet van gekomen.
Dirk de Vrome is nooit gehuwd geweest. Wel zijn nog enige beschrijvingen overgebleven van betrekkingen die hij had met Anna van Dirxwoude, een ‘sinnigh kint’. Wij weten niet of dat ‘sinnigh’ verstandig betekent of iets anders.
In 1182 werd hij door zijn broer Floris III tot Graaf van Hoorn benoemd (waarschijnlijk om van alle ruzie en herrie af te zijn), in 1183 gaf hij Dirxwoude de stadsrechten, waarom zijn Anna hem had verzocht, en in 1184 stierf hij. God hebbe zijn ziel.
zondag 19 september 2010
De Aardappelrellen in Dirkswoud
De Aardappelrellen van maandag 15 mei 1922 waren kort, hevig en verwoestend. Wat vooraf ging. Iedereen kent wel de Opperdoezer Ronde, een geweldig lekkere aardappelsoort die alleen goed wil groeien op de zavelrijke gronden rond de dorpen Opperdoes en Dirkswoud. Deze aardappel is een vastkoker met een dunne, gele schil en met weinig zetmeel en veel vitamines en hoogwaardige eiwitten. Een delicatesse. Als je ’m kookt, kun je volstaan met wat gesmolten boter erbij.
In april 1920 besloten twee Dirkswouder tuinderszoons (Gundert en Wiert van der Peet) op een bakfiets naar de aardappelgronden rond Opperdoes te rijden. Daar stalen ze een bakfiets vol aardappelplanten, en daarmee gingen ze terug naar Dirkswoud. Daar werden ze in de grond gezet en twee jaar later was er een grote oogst Dirkswouder Ronde op komst.
Dit was niet naar de zin van de Opperdoezers. Op 15 mei 1922 kwamen ze in de vroege ochtend met 20 of 25 man naar Dirkswoud. Ze vernielden de gehele oogst door de planten met knollen en al uit de grond te trekken, op een hoop te gooien en ze in brand te steken.
Dit vuur werd natuurlijk opgemerkt door de Dirkswoudenaren, ze stormden erop af. Een vechtpartij ontstond (er viel één dode, er waren ook vele gewonden) en tijdens de woeste achtervolging door het dorp sneuvelden nog vele ramen.
Dus zo komt het dat er geen Dirkswouder Ronden bestaan. Het is inmiddels zo lang geleden dat ook de Dirkswoudenaren u de Opperdoezer aardappelen van harte aanbevelen.
In april 1920 besloten twee Dirkswouder tuinderszoons (Gundert en Wiert van der Peet) op een bakfiets naar de aardappelgronden rond Opperdoes te rijden. Daar stalen ze een bakfiets vol aardappelplanten, en daarmee gingen ze terug naar Dirkswoud. Daar werden ze in de grond gezet en twee jaar later was er een grote oogst Dirkswouder Ronde op komst.
Dit was niet naar de zin van de Opperdoezers. Op 15 mei 1922 kwamen ze in de vroege ochtend met 20 of 25 man naar Dirkswoud. Ze vernielden de gehele oogst door de planten met knollen en al uit de grond te trekken, op een hoop te gooien en ze in brand te steken.
Dit vuur werd natuurlijk opgemerkt door de Dirkswoudenaren, ze stormden erop af. Een vechtpartij ontstond (er viel één dode, er waren ook vele gewonden) en tijdens de woeste achtervolging door het dorp sneuvelden nog vele ramen.
Dus zo komt het dat er geen Dirkswouder Ronden bestaan. Het is inmiddels zo lang geleden dat ook de Dirkswoudenaren u de Opperdoezer aardappelen van harte aanbevelen.
vrijdag 17 september 2010
Het nieuwe lid
Het nieuwe lid van de Genealogische Vereniging Dirkswoud (GVD), Koert Zwemmer, wil eens rustig gaan uitzoeken hoe het nu zit.
‘De toestand is deze. Mijn vader heette Gerard Zwemmer. Hij leefde van 1925-1986. Hij was enig kind. Mijn moeder was Annie Klaver (1927-1989). Tot zover is alles zeker en duidelijk. Niets aan de hand. Maar we gaan een generatie terug. Mijn oma van vaderskant heette Gonnie de Koning, ze leefde van 1901 tot 1974. Haar man heette Gerrit Zwemmer, en die leefde van 1898 tot 1922. Hij overleed tijdens de Aardappelrellen in Dirkswoud, en dat klopt, die waren in mei 1922. Gerrit had geen broers, alleen maar twee zusters. Dus hoe kan dat nu? Grootvader dood in 1922. Drie jaar later wordt mijn vader geboren, en die heet toch Zwemmer. Hoe kan dat?’
Ga dat maar eens kalm uitzoeken, Koert. Ondertussen vertel ik het verhaal van Gonnie de Koning (1901-1974).
Gonnie was een slim kind, maar ze leefde in een tijd waarin er aan slimheid, vooral van meisjes, nog geen aandacht werd gegeven. Ze moest op haar 14e jaar gaan werken in de melkzaak van De Boer. Ze stond achter de toonbank in de winkel. Daar ontmoette ze Gerrit Zwemmer, in 1919. ‘Bent u huwbaar?’ zouden zijn eerste woorden zijn geweest. Een jaar later waren ze getrouwd.
Gerrit was een kerel die vooruit wou in de wereld, en ze openden het nog steeds bestaande hotel-restaurant Zwemmer aan de Noordervaart 202. Het hotel-restaurant liep meteen goed, vooral door Gonnie’s slimheid en zorgzaamheid.
In mei 1922 overleed inderdaad Gerrit: hij stond aan de kant van de weg te kijken naar de rellen, kreeg een klap, viel en was dood. Dit was voor Gonnie niet een aanleiding om het hotel-restaurant nu maar te sluiten. Integendeel: ‘Zwemmer blijft bestaan!’ De zaak bleef maar groeien en groeien.
In 1924 ontmoette ze Arnold van der Poel, die toentertijd ‘de dorpsschavuit’ werd genoemd. Ze raakten verliefd op elkaar, het kwam zelfs zo ver dat Arnold kwam wonen in het hotel-restaurant. Gratis uiteraard, want liefde maakt blind. Arnold was een vechtersbaasje en moeilijkhedenzoeker, en in 1927 moest hij het veld ruimen.
Het is zéér waarschijnlijk dat Gonnie bij het aangeven van haar zoon Gerard op het gemeentehuis wat kleine corruptie heeft gepleegd. De achternaam werd Zwemmer. Het is ook zéér waarschijnlijk dat de achternaam eigenlijk Van der Poel moest zijn, en dat jij dus, Koert, een nazaat bent van dorpsschavuit Arnold van der Poel.
‘De toestand is deze. Mijn vader heette Gerard Zwemmer. Hij leefde van 1925-1986. Hij was enig kind. Mijn moeder was Annie Klaver (1927-1989). Tot zover is alles zeker en duidelijk. Niets aan de hand. Maar we gaan een generatie terug. Mijn oma van vaderskant heette Gonnie de Koning, ze leefde van 1901 tot 1974. Haar man heette Gerrit Zwemmer, en die leefde van 1898 tot 1922. Hij overleed tijdens de Aardappelrellen in Dirkswoud, en dat klopt, die waren in mei 1922. Gerrit had geen broers, alleen maar twee zusters. Dus hoe kan dat nu? Grootvader dood in 1922. Drie jaar later wordt mijn vader geboren, en die heet toch Zwemmer. Hoe kan dat?’
Ga dat maar eens kalm uitzoeken, Koert. Ondertussen vertel ik het verhaal van Gonnie de Koning (1901-1974).
Gonnie was een slim kind, maar ze leefde in een tijd waarin er aan slimheid, vooral van meisjes, nog geen aandacht werd gegeven. Ze moest op haar 14e jaar gaan werken in de melkzaak van De Boer. Ze stond achter de toonbank in de winkel. Daar ontmoette ze Gerrit Zwemmer, in 1919. ‘Bent u huwbaar?’ zouden zijn eerste woorden zijn geweest. Een jaar later waren ze getrouwd.
Gerrit was een kerel die vooruit wou in de wereld, en ze openden het nog steeds bestaande hotel-restaurant Zwemmer aan de Noordervaart 202. Het hotel-restaurant liep meteen goed, vooral door Gonnie’s slimheid en zorgzaamheid.
In mei 1922 overleed inderdaad Gerrit: hij stond aan de kant van de weg te kijken naar de rellen, kreeg een klap, viel en was dood. Dit was voor Gonnie niet een aanleiding om het hotel-restaurant nu maar te sluiten. Integendeel: ‘Zwemmer blijft bestaan!’ De zaak bleef maar groeien en groeien.
In 1924 ontmoette ze Arnold van der Poel, die toentertijd ‘de dorpsschavuit’ werd genoemd. Ze raakten verliefd op elkaar, het kwam zelfs zo ver dat Arnold kwam wonen in het hotel-restaurant. Gratis uiteraard, want liefde maakt blind. Arnold was een vechtersbaasje en moeilijkhedenzoeker, en in 1927 moest hij het veld ruimen.
Het is zéér waarschijnlijk dat Gonnie bij het aangeven van haar zoon Gerard op het gemeentehuis wat kleine corruptie heeft gepleegd. De achternaam werd Zwemmer. Het is ook zéér waarschijnlijk dat de achternaam eigenlijk Van der Poel moest zijn, en dat jij dus, Koert, een nazaat bent van dorpsschavuit Arnold van der Poel.
donderdag 16 september 2010
In de middeleeuwen ging dat dus heel anders
Aanwezig
De heren E. de Zeeuw (pastoor), G. Dekwaadsteniet, B. Montferrier, K. Gravemaker, C. de Wild en mevr. I. de Groot zijn aanwezig. Niemand heeft afgezegd.
Notulen
Geen op- of aanmerkingen op de notulen van de vorige vergadering.
Woord van welkom
Pastoor E. de Zeeuw richt zich tot mevr. I. de Groot, het nieuwe lid. Hij heet haar welkom.
Woorden van condoléance
Pastoor E. de Zeeuw gedenkt de helaas overleden heer D. Kraats, de voorganger van mevr. I. de Groot als lid van de kerkeraad. ‘Gedachtig zij de Heer. Het leven van Dirk was lang en zegenrijk.’
De heer K. Gravemaker voegt hieraan toe: ‘Wij willen U, o Heer, bedanken dat wij zo lang van Dirk’s gezelschap hebben mogen genieten.’
Bouw nieuwe St. Clarakerk
Pastoor E. de Zeeuw: ‘De oude kerk heeft voldaan, er moet een nieuwe komen.’ Hij richt zich tot mevr. I. de Groot, wier man een aannemingsbedrijf bezit. Kan er zo snel mogelijk een offerte voor een nieuw te bouwen kerk komen? Mevr. I. de Groot zegt dit toe.
Kan die offerte er dan vóór de volgende vergadering zijn? Mevr. I de Groot: ‘Uiteraard.’
Pastoor E. de Zeeuw overhandigt haar de bouwtekeningen, die vol aantekeningen en krassen zitten. ‘Die heb ik niet gemaakt, die zijn van de Hand van God,’ verklaart pastoor E. de Zeeuw.
De heer K. Gravemaker vraagt naar de plaats van de nieuwe kerk. Pastoor E. de Zeeuw antwoordt hierop: links van de oude kerk en de pastorie. Moet er dan ook niet tegelijk een nieuwe pastorie gebouwd worden? Dit is niet nodig, zegt pastoor E. de Zeeuw, de oude pastorie voldoet nog steeds.
Slotgebed
De dame en heren bidden voor het welslagen van de bouw van de nieuwe St. Clarakerk.
De heren E. de Zeeuw (pastoor), G. Dekwaadsteniet, B. Montferrier, K. Gravemaker, C. de Wild en mevr. I. de Groot zijn aanwezig. Niemand heeft afgezegd.
Notulen
Geen op- of aanmerkingen op de notulen van de vorige vergadering.
Woord van welkom
Pastoor E. de Zeeuw richt zich tot mevr. I. de Groot, het nieuwe lid. Hij heet haar welkom.
Woorden van condoléance
Pastoor E. de Zeeuw gedenkt de helaas overleden heer D. Kraats, de voorganger van mevr. I. de Groot als lid van de kerkeraad. ‘Gedachtig zij de Heer. Het leven van Dirk was lang en zegenrijk.’
De heer K. Gravemaker voegt hieraan toe: ‘Wij willen U, o Heer, bedanken dat wij zo lang van Dirk’s gezelschap hebben mogen genieten.’
Bouw nieuwe St. Clarakerk
Pastoor E. de Zeeuw: ‘De oude kerk heeft voldaan, er moet een nieuwe komen.’ Hij richt zich tot mevr. I. de Groot, wier man een aannemingsbedrijf bezit. Kan er zo snel mogelijk een offerte voor een nieuw te bouwen kerk komen? Mevr. I. de Groot zegt dit toe.
Kan die offerte er dan vóór de volgende vergadering zijn? Mevr. I de Groot: ‘Uiteraard.’
Pastoor E. de Zeeuw overhandigt haar de bouwtekeningen, die vol aantekeningen en krassen zitten. ‘Die heb ik niet gemaakt, die zijn van de Hand van God,’ verklaart pastoor E. de Zeeuw.
De heer K. Gravemaker vraagt naar de plaats van de nieuwe kerk. Pastoor E. de Zeeuw antwoordt hierop: links van de oude kerk en de pastorie. Moet er dan ook niet tegelijk een nieuwe pastorie gebouwd worden? Dit is niet nodig, zegt pastoor E. de Zeeuw, de oude pastorie voldoet nog steeds.
Slotgebed
De dame en heren bidden voor het welslagen van de bouw van de nieuwe St. Clarakerk.
woensdag 15 september 2010
‘Roest ruist!’
In het atelier van beeldend kunstenaar Johan Kopweelders zijn we maar één dag per jaar welkom, maar dan loopt het ook storm op de Zuidervaart 245. Johan is een autodidactisch kunstenaar die werkt het met materiaal ijzer.‘IJzer is het spannendste materiaal dat er is,’ zegt Johan, ‘want het roest zo snel. In de 19e eeuw bouwden ze in Engeland ijzeren bruggen. Die zouden wel eeuwen blijven staan, dachten ze. Er is er geloof ik niet één meer van over. Allemaal weggerot, weggeroest. De tijd is sterker dan het ijzer.’
Op de dag dat we dit jaar in zijn atelier mochten langskomen — zondag 11 juni, het is elk jaar weer een andere dag en een andere datum, ‘om los te komen van de beknellende regelmaat,’ zoals Johan zegt — waren er zo’n twintig mensen, die ook allemaal een kopje koffie van Johan kregen, geschonken in ijzeren kommen van verschillend formaat, sommige met een oortje, andere met een grote handgreep, weer andere met helemaal niets. ‘U moet de roest weer leren smaken,’ zegt Johan, ‘want dat hebben wij moderne mensen verleerd sinds de middeleeuwen. U eet wel spinazie voor het ijzer dat uw lichaam nodig heeft, maar in de middeleeuwen ging dat dus heel anders.’
Daarna deed Johan een deur open en kwamen we in het eigenlijke atelier, in het midden waarvan een enorm ijzeren beeld stond, temidden van hamertjes, mokers, messen, trappen, een steigertje e.d.
‘Raadt u eens wat dit is?’ vroeg Johan aan de menigte.
‘Is het... eh, abstracte kunst?’ zei een mevrouw.
‘Nee hoor. Niks abstracts aan. Dit is het beeld dat voor de zaak van kapper Hoestal zal komen te staan. Het heet Haardracht. Ziet u het nu?’
Ik zag wat het was: een ijzeren kapsel van wel drie meter meter omvang en drie meter hoogte. Het leek een beetje op het kapsel van koningin Beatrix.
Terwijl Johan verder ging met uitleggen, besloot ik mijn gedachten te wijden aan zijn zeer grote collectie messen. ‘De meeste komen van mijn Zeeuwse voorouders,’ zou Johan later zeggen, ‘het zijn echte werkmessen, ik zou niet zonder ze kunnen.’
dinsdag 14 september 2010
Dat moeten we eerst bestuderen
De heksubsidie spoorde de mensen aan, hun erfafgrenzingen op tijd te vernieuwen. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw werden er formules gebruikt zoals ‘Roest ruist!’ en ‘Berg uw spullen op als uw hek niet tenminste 2.50 m hoog is!’
‘We moeten,’ zegt de heer Hanink, ‘met het CDA niet teveel naar rechts draaien. Niet teveel naar de misdadigheid, bedoel ik. Daarmee bedoel ik niet, dat we nu zomaar naar links moeten draaien, maar we moeten ons niet in de misdadigheid schikken. Een hek voor je deur, dat is een normaal iets. En ik hoor nu al tekenen uit de Dirkswoudse samenleving: geef ons onze hekken! Daar sluit ik mij graag bij aan.’
De voorzitter van de CDA-fractie in de gemeenteraad, de heer Antonissen, geeft desgevraagd het volgende antwoord: ‘Het bezwaar van de heer Hanink kennen wij. Wij hebben nog helemaal geen besluit genomen over de hekkensubsidie, maar het ligt begrotingstechnisch wel heel moeilijk. Wij kunnen de centjes maar één keer uitgeven, zoals u weet. Keuzes, die moet je maken.’
‘Dus die hekkensubsidie gaat eruit.’
‘Nee, dat heeft u mij niet horen zeggen.’
‘Oh?’
‘Ik zei alleen maar dat het — wellicht — financieel een te groot offer zou blijken te zijn.’
‘Dus als u dat kunt oplossen, dan...’
‘Ook dat heeft u mij niet horen zeggen. Ik zeg: laat ons alle problemen eerst eens oplossen, en daarbij de hekkensubsidie serieus bekijken.’
Het CDA aan het woord, kortom. De hekken zullen verdwijnen.
zondag 12 september 2010
Het debat hierover moet nog beginnen
Volgens de Wet Gemeentelijke Herindeling, die in Den Haag al aangenomen is in de jaren negentig, voor zover ik weet, is het nu ook de beurt aan Dirkswoud en De Kaagsteeg om samen te gaan. Er leven veel bezwaren in Dirkswoud tegen dat samengaan.Ten eerste gelooft men niet, maar laat ik eerst een beschrijving van De Kaagsteeg geven. De Kaagsteeg ligt twee kilometer ten zuiden van Dirkswoud. ‘Het ligt dus niet in,’ aldus vele Dirkswoudenaren, ‘maar buiten Dirkswoud.’ De Kaagsteeg is een gehucht dat nog geen 300 inwoners telt, oorspronkelijk was het een heerlijkheid van de heren Van Blaks. Toen de laatste Van Blaks stierf, in 1863, werd het een zelfstandig dorp met een eigen gemeentehuis.
Zoals veel Amsterdammers een beetje neerkijken op Haarlem en de Haarlemmers, zo kijken de meeste Dirkswoudenaren neer op De Kaagsteeg. De algemene opinie in Dirkswoud: ‘Vechtersbazen, allemaal in een uitkering, maar ze rijden wel in Mercedessen.’ Dat de Kaagstegers vechtersbazen worden genoemd, vindt misschien zijn oorsprong in de vele vechtpartijen die plaatsvinden tijdens de Dirkswouder kermis (die steeds plaatsvindt in het eerste weekend van september), en in de vele ruiten die tijdens de kermisdagen worden ingegooid, hoewel Schilder Minder daarover niet klaagt. Hij heet Minder, Joop Minder. Hij zet ook uw nieuwe ruiten erin.
Hoe het ook zij, er schijnt een zeker lager moreel besef te zijn in De Kaagsteeg. Dat kan ook komen doordat in De Kaagsteeg bijna niemand gelovig is, in tegenstelling tot Dirkswoud, waar bijna iedereen het katholieke geloof aanhangt.
Er moeten nog gemeentelijke debatten plaatsvinden, in zowel de gemeenteraad van Dirkswoud als in die van De Kaagsteeg. De Kaagsteeg is zonder meer voor samenvoeging. Dirkswoud twijfelt nog, want hoe zal het dan gaan met de stadsrechten van Dirkswoud. Wethouder A. Braas, die binnenkort naar Den Haag zou gaan om dit heikele punt daar te bespreken: ‘Dirkswoud an sich is een stad. Een stadje. Volgens de regeling in het jaar 1183 met Graaf Dirk van Hoorn. Toen heeft Dirkswoud stadsrechten gekregen. Als Dirkswoud nu groter zou worden, dan weet ik het nog niet zo direct. Dus dat moeten we eerst bestuderen.’
Ze spelen wat, ze dartelen wat

Dierenwinkel De Kariboe (u vindt deze winkel op de Zuidervaart 137 in het landelijke Dirkswoud) loopt een stuk minder goed dan ze verwacht hadden. Het komt door de geringe aanvoer van laboratoriummuizen. Die muizen worden niet gekocht door meisjes die van muisjes houden, ze worden gekocht door mensen die slangen houden. Pythons. En daarvan zijn er nogal veel in Dirkswoud.
Een paar jaar lang is het de gewoonte geweest voor de katholieken van dit dorp om de python te redden van de ondergang (door de wereldwijde uitroeiing van hun natuurlijke leefgebied). Daar speelde De Kariboe handig op in — als ze het bericht zelf al niet verspreid hadden — en zo is het gekomen dat vele Dirkswoudse huishoudens nu een halve kamer gevuld hebben met terraria met daarin twee of drie pythons.
De remedie die De Kariboe nu uitprobeert, is een grootschalige invoer van grootoorspringmuizen, maar ‘dat wil nog niet erg lukken op Schiphol,’ zegt Arnold Heuvemaker van De Kariboe. Het is inderdaad een vreemde soort op de Nederlandse weiden, maar wat zou dat schelen als ze als voederstof gebruikt zouden worden?
Arnold is een zaak begonnen tegen de Nederlandse staat, om een beperkt aantal grootoorspringmuizen toe te laten, mits zij worden gebruikt als voedsel voor pythons e.d., en nergens anders voor.
Natuurlijk is daar de gehele pythonhoudende bevolking van Dirkswoud zeer vóór. Jacob Bruinsma (eigenaar van een terrarium met diverse pythons): ‘Wat kèn daar nou tegen zijn? Niks toch? Je haalt een muis van buiten, omdat je zelf geen muizen meer hep. Wat is daar nou tegen? Bovendien. Je haalt een muis van buiten, die daar geen deel van leven heeft. Die muizen leven daar in de woestijn, meneer! Laat daar de regering zich eens over beraadslagen. De Gobi woestijn, dan heeft zo’n muis toch een veel beter leven bij ons, in het westen? Toch? Wat hoort zo’n grootoorspringmuis daar nou? Die hoort niks in de Gobi! Het is veel beter als dat soort dieren hier komen, en de kans krijgen om werkelijk iets te doen met hun oren. Zo zie ik dat.’
Het debat hierover moet nog beginnen in de Tweede Kamer.
zaterdag 11 september 2010
Wen er maar vast aan
‘Wen er maar vast aan,’ zei boer Barend Lolkema, die woont op de Oosterzij 2, in het uiterste noordoosten van het landelijke Dirkswoud. Zijn boerderij is een tamelijk vervallen kop-hals-rompboerderij. Hij houdt nog wat kippen en ter bescherming van die levende have zet hij elke avond strikken uit rond zijn boerderij, want ‘ik weet de vos te lopen’, zoals Lolkema je op samenzweerderige toon mededeelt. ’s Ochtends vroeg haalt hij die strikken weer weg, want dan loopt ‘de vos’ er niet meerLolkema is opstandig, hij vertrouwt zijn medemens lang niet altijd. Hij bekritiseert zijn dorpsgenoten voortdurend. Hij bekritiseert iedereen en wee je gebeente als je op die kritiek antwoordt: ‘Het valt toch wel mee?’ Het valt namelijk nooit mee.
Telkens als ik in Dirkswoud ben, ga ik even naar Lolkema om een doosje verse eieren. Afgelopen maandagochtend probeerde ik zijn erf op te lopen, maar ik kwam met mijn linkerbeen in een strik terecht. Het deed flink zeer, Lolkema kwam direct op me af, en zei: ‘Wen er maar vast aan, want de vos loopt nu ook overdag rond. Dus ik heb nu een 24/7 bescherming nodig voor mijn kippen.’
Hij gaf me een doosje eieren, en zoals gewoonlijk bepraatten we de dagelijkse dingen.
‘Gisteren was er weer zo’n promecessie,’ begon hij deze keer. ‘Daar loopt dan de pastoor onder zo’n luifel te schitteren, met de hele bevolking erachter. Een toeterfanfare zat er ook weer bij, met natuurlijk de hele jeugd meemarcherend. Ik vind dat allemaal best, hoor, maar vlakbij mij moeten ze overstappen in de boâte en gaan ze de Noordervaart op. Een hele beweging is dat. De mooiste boât is natuurlijk voor de pastoor, dus die wijdt hij in. En terwijl hij bezig is die boât in te wijden, lopen er een paar kinderen mijn erf op. Kinderen vind ik nog het minst erg. Ze spelen wat, ze dartelen wat. Nietwaar? Plotseling hoor ik een ijselijke kreet. Eén van die kinderen was in een strik gelopen. Net als jij daarnet. Ik erop af. De pastoor stopt ook met zijn rituelen, die komt er ook op af. En ik probeer hem nog af te weren, maar hij stormt mijn erf op, en ja hoor. Hij loopt ook in een strik. Zo heb je altijd wat.’
woensdag 8 september 2010
Gee fou ontgaa haa
Juist dit weekeinde is het pensioen van Johanna van der Vlaai gekomen. Haar opvolger als corrector bij De Dirkswoudenaer is: Gerard Klever, een nog zeer jonge medewerker. We hopen dat hij zijn werk even goed zal doen als Johanna het al die jaren heeft gedaan.We hadden een gesprek met Johanna. Ze woont op de Noordervaart 215, een kleine woning op de eerste verdieping.
- Ik ben nooit verliefd geworden, nee. Ik ben altijd alleen geweest. Geen hond die zich met mij bezig hield. Er is ooit wel een kans geweest, maar de man spelde murw als murv, en dat sloot de deur. De man was ook verder onverdraaglijk, hoor. Hij zei bijvoorbeeld: zullen wij tweeën eens wedden, en dan had hij weer een weddenschap. Of dan had hij weer het idee om samen te gaan bridgen. Weet u, ik kan ook helemaal niet tegen blonde mannen.
- Zelf bent u blond. Of blond geweest, tenminste.
- Ja, maar een man moet zwart haar hebben. Naar zwart neigend tenminste.
- Nog steeds?
- Ja, nu mag hij wel grijzend haar hebben. Grijs, golvend haar.
- Dank u.
- Uw haar was toch zwart vroeger?
- Het was zwart, ja.
- Dat meen ik me tenminste te herinneren. Knappe jongen, dacht ik altijd.
- Ik had u wel eens ontmoet op het ijs, in 1962 of ’63. Toen waren we allebei nog heel jong en heel verlegen. Dus toen kwam het er niet van, zal ik maar zeggen.
- Dat herinner ik me niet meer.
- En die trouwerij van uw neef John of Johan, een jaar of twintig later?
- Johan. Vlerk van een jongen. Anja is trouwens al van hem gescheiden en dat verbaast me niets. Een man moet ook een voornaam van één lettergreep hebben: Max, Ben, Koos, Piet, Klaas, Joop, Gert, Iep. Dat je hem binnen kunt schreeuwen: ‘Max! Eten!’ Als hij Karel of Sytze heet, dan gaat dat minder makkelijk.
- Dat is jammer.
- Hoezo?
- Ik heet Gerard.
- Daar maak ik Grard van. Wen er maar vast aan.
maandag 6 september 2010
Enkele leden van de redactie
De Goede Dirkswoudenaer werd opgericht in 1896 door de heren Pieter Kroft en Anton Kruyenaar (nog steeds bekend van het rijmpje: ‘Kroft en Kruyenaar maken geen fout in De Goede Dirkswoudenaer’). De krant verkortte in 1946 zijn naam door het Goede eruit te halen omdat, zoals de toenmalige redactie het verwoordde: ‘Wij niet willen pochen op het werk onzer krant in de voorbije oorlogsjaren.’ En inderdaad, het kantoor van de krant fungeerde in de Tweede Wereldoorlog als een adres waar verzetslieden en Joden terecht konden wanneer zij onderduik zochten.Tegenwoordig is het uiteraard een modern bedrijf. Wij stellen u graag enkele leden van de redactie voor.
Bert Koper
Hoofdredacteur sinds 1972. Van 1962 tot ’65 was hij een bekend keiwerpraper, totdat hij door een hoofdblessure afscheid van zijn sport moest nemen. Hij spreekt nog steeds moeilijk, maar blijft een geweldige hoofdredacteur, die met zijn luidkeels uitgesproken ‘Rrroeien!!’ poogt de roeisport in Dirkswoud ingevoerd te krijgen.
Karel van Vlaanderen
Adjunct-hoofdredacteur sinds 1984. De man die uiteindelijk de beslissingen neemt: nemen we dit stuk wel of niet op. Een autoriteit. Een man die zijn zaakjes kent. Beoogd opvolger van Bert Koper. Zijn kwaliteit moge blijken uit een artikel dat hij al in 1993 in De Dirkswoudenaer publiceerde: ‘De kwade gloei van het internet.’
Johanna van der Vlaai
De opmaakredactrice en correctrice. Gee fou ontgaa haa, en bovendien zorgt ze voor de bloemetjes op het kantoor!
Sjaak Poort
Redacteur sportzaken met een grote kennis van het keiwerpen. Ook heeft Sjaak goede kennissen in het voetbal, met name bij eredivisionist FC Den Haag, waar hij geregeld dingen oppakt zoals: ‘We zullen ze eens wat laten ruiken!’
Frits ten Hemelen
Politiek redacteur. Hij heeft zich tijdens de formatie van het rechtse kabinet niet daarmee bemoeid (‘Een kansloze missie’), maar met de interne bewegingen bij D66, die hij omschreef als: ‘Links of rechts. Het maakt ons geen donder meer uit.’
Kees Klamer
Puzzleredacteur en nog steeds keiwerper (raper). Als u zijn puzzles wilt oplossen, zoekt u het liefst naar woorden als ‘communio’ of ‘sacristie’ en dergelijke. Kees is zeer katholiek, hij gelooft ook dat het raperschap hem behoedt voor vreemde invloeden.
dinsdag 31 augustus 2010
We moeten zorgvuldig zijn

Karst Madema was in september 1995 een knaap van zestien jaar. Zijn vader was boer Madema, vader en zoon woonden in een boerderij op het adres Westerweg 119. Karst’s moeder was al overleden aan slokdarmkanker.
Naast de Madema’s woonde, op nummer 121, de familie Van der Kroos. De familie Van der Kroos had het recht van overpad over een gedeelte van het weiland van Madema. Madema maakte echter bezwaar tegen het onaangelijnd lopen op zijn grondgebied van de bouvier van Van der Kroos. De bouvier maakte de koeien en paarden van Madema aan het schrikken.
Met deze lezing was de familie Van der Kroos het niet eens.
Boer Madema besloot de NCRV te Hilversum aan te schrijven, met het verzoek het programma De rijdende rechter op de zaak te zetten. Dit programma zou in september 1995 beginnen aan zijn zegetocht, met mr. Frank Visser en presentatrice Mieke van der Weij. Enkele leden van de redactie arriveerden ter plekke en de volgende week werden de opnamen gemaakt.
Tijdens de hoorzitting, die gehouden werd in een bijzaaltje van het Dirkswoudse Parochiehuis, zaten Karst en zijn vader vooraan, met naast zich de heer en mevrouw Van der Kroos. In het zaaltje zat ook Martin Gaus, die nog iets zou uitleggen over honden, koeien en paarden.
Wat niemand wist, en ook de NCRV niet of de regie van het programma, was de laaiende verliefdheid die Karst die dag had opgevat voor presentatrice Mieke van der Weij. ‘Dat joch was niet van me af te slaan,’ zou ze later zeggen.
Ook het televisiekijkende publiek zou er nog iets van merken. De NCRV had uiteraard haar uiterste best gedaan om ook maar het allereerste begin van een verhouding Karst-Mieke uit het programma weg te knippen, maar één shot hadden ze vergeten weg te doen: het shot waarin Karst, zittende voorin het zaaltje, een bord omhoog stak waarop in knullige letters geschreven stond: ‘Liefste Mieke, zullen we het een keer doen?’
Daarover later ondervraagd door een journalist van De Dirkswoudenaer, zei Karst erover: ‘Ik was maar zestien. Ik was nog jong en ik wilde wel wat.’
De uitkomst van de zitting was, dat mr. Frank Visser uitsprak dat dat recht van overpad ook gold voor honden, mits ze zouden zijn aangelijnd.
maandag 30 augustus 2010
Deze drastische maatregel

Ik reed van de week weer eens over de Noordhollandse dreven in mijn comfortabele, witte Citroën Berline, en waar kwam ik uit? In het landelijke Dirkswoud natuurlijk. Ik moest een pakketje afgeven aan Aleida Knol, de haaishouster van pastoor Engelbertus de Zeeuw. Een zus van mevrouw Knol, Tonia, woont niet zo ver van me vandaan en had me het pakketje meegegeven. Het was een pakketje ter grootte en ter dikte van een flink pocketboek.
Ik belde dus aan bij de pastorie, en werd opengedaan door de pastoor himself. ‘Goeiedag, good day, guten Mittag,’ zei hij, ‘komt u binnen!’ Ik stelde me voor en volgde hem naar de huiskamer. Hij leidde me naar een tamelijk oude leunstoel met grijze veloursbekleding.‘En wat voert u naar de Clara-parochie, beste man?’
Ik zei dat ik een pakketje had voor Aleida Knol.
‘Een pakketje voor mijn Aleida? Interessant!’ Hij deed een raam open en schreeuwde: ‘Aleidá!’ Aleida verscheen aan de buitenzijde en de pastoor zei: ‘We hebben bezoek. Maak eens koffie, ook voor jezelf!’ Aleida verdween rennend naar, vermoed ik, de keuken van de pastorie.
‘Een pakketje, zei u?’ vroeg de pastoor me vervolgens, achter me staand. En het volgende moment bond hij me vast aan de stoel en deed hij een duct-tape voor mijn mond. ‘Deze drastische maatregel is even nodig, meneer. Je hoort zoveel van die pakketjes, tegenwoordig.’
Hij pakte het pakketje uit mijn handen en legde het midden op tafel. Ondertussen kwam Aleida Knol binnen met een blad met drie kopjes koffie. Ze stond even stil en keek met grote ogen toe.
‘Zet maar neer, Aleida. We hebben een pakketje, door meneer hier gebracht.’
Aleida zette de drie kopjes neer, en legde het blad op tafel, waar de pastoor het direct wegschoof, dus nam ze het weer in de handen.
‘We moeten zorgvuldig zijn, waar of niet, Aleida?’
‘Ja, meneer pastoor.’
‘Goed! Pak het wijwater even. Het staat in die hoek daar.’
Aleida pakte de wijwaterbak en de wijwaterkwast, en de pastoor beuzelde wat duivelverdrijvende teksten in het Latijn, en besproeide het pakketje met wijwater. Vervolgens opende hij het pakketje. Er zat in: het boek Bijbel en Babel van prof.dr. Ignatius Klug.
Wel, dat was het einde van mijn vernedering. De pastoor maakte me weer los, haalde de duct-tape van mijn mond af, ik legde Aleida uit dat het boek van haar zus Tonia kwam, die vlakbij me woont.
Het commentaar van de pastoor: ‘Wilt u één schepje suiker? U mag er ook twee hebben.’
dinsdag 24 augustus 2010
Een gezond spektakel

Keiwerpen is een atletiekonderdeel dat nog maar weinig beoefend wordt. Slechts te Dirkswoud wordt het keiwerpen nog fanatiek gespeeld. Hier zijn de spelregels.
Keiwerpen wordt gespeeld door twee teams van elk drie man, de ontvangende partij (O.P.) bestaande uit een hoofdraper en twee bijrapers, en de werpende partij (W.P.) bestaande uit de Eerste Werper en twee bijwerpers.De Eerste Werper werpt vijf keien van 10 kilogram vanuit stilstand, staande aan de werplijn. De bedoeling is dat zijn vijf keien terecht komen zo dicht mogelijk bij de 20 meter verder getrokken raaplijn. Een kei die over die raaplijn terecht komt, wordt direct uit het spel genomen.
Zodra de vijf keien zijn geworpen, klinkt er een fluitsignaal en kan de hoofdraper van de O.P. proberen de keien op te pakken (te rapen). Dit kan worden verhinderd door de beide bijwerpers, die met vijftig bijkeien (van maximaal 5 kilogram elk) zullen proberen de hoofdraper te raken.
Hier komen de beide bijrapers in actie, want zij zullen trachten te verhinderen dan hun hoofdraper wordt getroffen.
Puntentelling: 1 punt voor het rapen van elk van de vijftig geworpen bijkeien; 5 punten voor het rapen van elk van de vijf geworpen keien.
Na het eerste spel worden de rollen omgewisseld en begint de tweede helft.
Speelveld. Het speelveld voor het keiwerpen was aanvankelijk 30 x 2 meter groot, maar de Dirkswoudse spelregelcommissie heeft in 1986 besloten dat het speelveld 3 meter breed moet worden, gezien het grote aantal gewonden aan toeschouwerszijde.
De toenmalige voorzitter van de spelregelcommissie, de heer Van Heuvelenberg, zei hierover: ‘Risico’s moeten zoveel als mogelijk worden voorkomen, vandaar dat wij deze drastische maatregel hebben moeten doorvoeren. Wij zullen het doorgeven aan de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie.’
Bekende rapers waren: Kees van der Velden (1963-1985), Arnold Binken (1965-1990) en Johan Kloek (1968-1991).
vrijdag 20 augustus 2010
Kwaad worden zit niet in mijn natuur

Da’s raar, hè? Ik kan niet kwaad worden. Niet op Hitler of Stalin, niet op katholieken of gereformeerden, niet op iemand die voordringt bij de bakker of de slager. Ik word niet kwaad, maar ik probeer te snappen waarom iemand zoiets doet. Daarom word ik zo dolgelukkig als ik iets als dit lees.
Ik kan ook niet kwaad worden op de heer A. de Vogel, Westerweg 162 te Dirkswoud, die mij eens een vreselijke streek heeft geleverd. Dit was het geval.De heer A. de Vogel (die zich Albertianus laat noemen: ???) is een volgevreten dikzak van honderdvijftig lettergrepen vol embonpoint, op wie de term gezellige dikkerd niet bepaald van toepassing is.
Luister! Want er zijn grenzen, beste lezers, lieve lezeressen.
Het begon in het jaar 1983, toen ik voor het eerst in mijn comfortabele, witte Citroën Berline door het landelijke Dirkswoud reed. Ik groette, ik wuifde, de bevolking straalde. Een gezond spektakel ontvouwde zich: wie zo een wagen bereed, moest wel een magistrale figuur zijn. Ik voelde mij meteen opgenomen in de dorpsgemeenschap.
Ik stopte voor het adres Westerweg 156 en parkeerde daar mijn prachtwagen. Dat adres is van Slagerij-Beenhouwerij Swerts, waar ik mijzelf wou tracteren op enige worst- en vleessoorten. Ik naar binnen, het was er druk. Juist toen ik zei: ‘Doet u mij maar een onsje van uw beste bloedworst’, gebeurde het.
Ik zag het eerst in het glas van de vitrine waarin al het vleeswaar lag opgeborgen, en vervolgens, nadat ik me omdraaide, met mijn eigen ogen: een dikzak van pakweg 17 jaar gooide over mijn, diezelfde ochtend nog glanzend schoongepoetste Citroën Berline een emmer modder en stront! Wat zou u gedaan hebben? Dat deed ik ook. Ik stoof de slagerij uit en achtervolgde de dorpsellendeling, die verdween in het lichtelijk verwaarloosde pand op het adres Westerweg 162, waar ik naast de voordeur een bordje zag met daarop:
‘162.
Joop de Vogel.
Annie de Vogel-Kaspersma.
Albertianus’.
Ik belde aan, maar er werd niet opengedaan. Dus ging ik naar mijn besmeurde auto en reed naar huis. Daar schreef ik een briefje, waaruit ik hier de belangrijkste passages citeer:
‘Geachte heer J. de Vogel,
(...)
U tenslotte verantwoordelijk houdende voor het gedrag van Uw dikke zoon Albertianus, heb ik de volgende kosten gemaakt die ik U in rekening ga brengen:
f 34,75 voor het moddervrij maken van mijn witte Citroën Berline;
f 18,32 smartegeld.
Tezamen makende f 53,07.
(...)
Hoe dikker, hoe onbetrouwbaarder. U zoudt er in den vervolge goed aan doen, het gedrag van uw moddergooiende zoon eens onder de loep te nemen.’
Uiteraard heb ik de rekening nooit betaald gekregen, maar het was een grote voldoening om eens zo’n briefje te schrijven.
woensdag 18 augustus 2010
Een maand geleden ongeveer

Een maand geleden ongeveer was ik in het landelijke Dirkswoud, toen zich daar het volgende voordeed. Een meisje van 19 jaar, Magda van Dieren, zat aan de slootkant van de Noordervaart op haar viola da gamba te spelen. Zij was aan het oefenen, want zij zou over een paar weken in het Parochiehuis (Kerkweg 2) een uitvoering geven van werken van Tallis, Byrd en nog wat katholieke componisten uit die jaren. Ze zat op een visserskrukje tussen de bomen, naast het bruggetje voor Noordervaart 132, haar huisadres.
Ik moest op dit adres zijn omdat een artikel dat de heer Van Dieren geschreven en ingeleverd had (‘De psychologie der bacteriën’) door de redactie van het tijdschrift waaraan ik ook verbonden ben, was afgewezen als zijnde onzinnig. Ik moest die beslissing in een persoonlijk gesprek toelichten, dus ik belde aan, maar hoorde toen het meisje zeggen: ‘Er is niemand thuis, hoor!’Ze stopte met spelen en ik draaide me om. Maar het meisje zag ik niet meer, het meisje was verdwenen.
‘Hoe nu?’ dacht ik.
In de avond van die dag had de heer Van Dieren zijn dochter als vermist opgegeven bij het politiebureau aan de Zuidervaart 20. Daar ben ik ook gehoord, als getuige, nadat Magda verdronken was gevonden in de Noordervaart, samen met haar krukje en haar viola da gamba. Ze moet de Noordervaart zijn ingeduwd of -getrokken.
‘Ik heb geen idee wat er gebeurd kan zijn,’ zei ik hoofdinspecteur Goossens. Hij noteerde mijn woorden zorgvuldig: Geen. Idee. Toen vroeg hij: ‘U bent niet kwaad geweest omdat er niemand thuis was?’
‘Neuh.’
‘Maar u moest toch heel wat kilometers afleggen voor die rottige bacteriën, en dan...’
‘Ja, maar dat hoort allemaal bij mijn werk. Bovendien rijd ik in een comfortabele, witte Citroën Berline en ben ik graag in uw lieflijke Dirkswoud.’
‘Dus er is geen kans dat u zo kwaad geworden bent dat u het heeft gedaan?’
‘Nee. Kwaad worden zit niet in mijn natuur.’
Enfin. Dit was het einde van het veel te korte leven van Magda van Dieren.
dinsdag 17 augustus 2010
Te biecht bij pastoor E. de Zeeuw

- Wanneer ben je voor het laatst te biecht geweest?
- Een maand geleden ongeveer.- Hmm. Zeg het maar, zoon.
- Ik heb de laatste tijd onzuivere gedachten, ehm, vader.
- Wat voor onzuivere gedachten?
- Nou, ik woon op de Zuidervaart, in de rijke buurt.
- Dat weet ik. Je woont er mooi.
- Jazeker. Waar ik woon, daar zitten een hoop eenden en zo. Nou ja, niet waar ik woon, maar in de buurt. In het water.
- Waar eenden normaal zitten, ja. Onkuise gedachten. Stremmingen.
- O ja. Moet ik namen noemen?
- Je mag namen noemen. Het is niet per se nodig, maar het kan noodzakelijk zijn.
- Dan noem ik één naam en dat is Jolanda van der Weert. Ze woont op Zuidervaart 19, dat is naast mij, en ze is nog maar negentien jaar, en ze is, zonder het zelf te weten, wonderschoon.
- Jo-lan-da Van der Weert, staat genoteerd. Is ze katholiek?
- Dat denk ik wel, ja. Ik heb haar ontvoerd.
- Hoe hebt u dat aangelegd?
- Met een bos bloemen.
- Dus niet met wapengekletter.
- Nee. Een bos rozen, dat deed het hem. Witte rozen. Want ze kwam langs mijn deur met een collectebus voor een aids-stichting of zoiets, ik zei nee, en toen pakte ik die rozen tevoorschijn — ze was al een deur verder — en ik zei: ‘Jolanda! Jolanda! Kijk eens!’ en toen kwam ze terug, en toen heb ik haar overmeesterd en binnengetrokken.
- En naakt uitgekleed!
- Niet meteen.
- Maar toch snel daarna!
- Nee, we hebben eerst nog naar de tv gekeken. Want ze houdt van mij, de Rijdende Rechter en zo.
- Maar daarna: naakt uitgekleed!
- We hebben elkaar eerst nog eens gekust, dat was nog voor het laatste Journaal.
- Maar wel: naakt uitgekleed!
- Uiteindelijk wel, vader, want toen was het tijd om naar bed te gaan. En wat er toen gebeurd is...
- Vertel het rustig, zoon.
- Toen vertelde ze dat haar broer Jeroen...
- Ja? ja?
- Dat haar broer Jeroen vernoemd was naar de heilige Hjeronymus.
- Meer niet?
- Nee, weinig meer.
- Geen geslachtelijke gemeenschap gehad?
- Neuh.
- Ook niet later met die Jeroen?
- Nee.
- Penitentie: tien weesgegroetjes en tien onzevaders.
maandag 16 augustus 2010
De Dubbele Moord van Dirkswoud
Dirkswoud is een dorpje, gezapig van snit,
katholiek bovendien, so that’s good, isn’t it?
Op het fraaie adres van de Oosterzij 9
daar woonde een man en die heette Verstegen.
Verstegen keek neer op zijn buren van 11,
want die woonden heel vies en nou ja, zeg nou zelf.
Hun tuin was ook groot en niet goed onderhouden,
kevertjes tripten en katten miauwden
en kippen en honden en loslopend vee.
Alles liep los en Verstegen zei: nee!
Hij ging eerst te biecht bij pastoor E. de Zeeuw.
Die zei hem ‘Je doet maar’ en liet toen een geeuw.
Dit feitenverslag is nu, dames en heren,
op ’t punt dat Verstegen bedacht: ‘Mijn geweren!’
Hij pakte er twee (en een dolkmes en bijl)
en hij liep door Dirkswoud, hij liep wel een mijl.
Tot hij bij Oosterzij 11 aankomt. Belt.
Opengedaan. En daar was het geweld.
Schoten (wel twintig) en steken en klieven,
de familie was niet op haar beste qui vive.
Gevolg dus: twee doden en vele gewonden,
die door de dokter snel werden verbonden.
De heer Verstegen zegt nu nog, heldhaftig:
‘Ik deed het zo weer, maar ik ben nu al taftig.’
zaterdag 14 augustus 2010
De geslotenheid is puur

Wie wel eens in Dirkswoud is geweest, weet dat het er daar soms vreemd toegaat. Uit bakkerij Van der Strem, Westerweg 17, komt soms een lucht van wierook, bijvoorbeeld. Je kunt dan wel informeren: waar is die wierook voor? Maar dat vertellen de Dirkswoudenaars je niet, dat vertellen ook de medewerksters van de bakkerij je niet.
Hetzelfde geldt voor de processies, die pastoor Engelbertus de Zeeuw een paar keer ’s jaars laat plaatsvinden. Daar moeten geen pottekijkers bij zijn, dus wordt het dorp afgesloten van de buitenwereld. Het schijnt dat de pastoor dan onder een baldakijn door het dorp loopt, maar het fijne weet ik er niet van. Niemand kan je wijzer maken.Hugo Witser, redacteur van De Dirkswoudenaer, heb ik er ook naar gevraagd. Hij is mijn bron binnen Dirkswoud, als het gaat om de onverklaarbare zaken (bijvoorbeeld de Dubbele Moord van Dirkswoud in 1957).
‘De pastoor heeft ten eerste een geweldige positie in Dirkswoud. Dat moet je begrijpen. Invoelen. Daar moet je, zeg maar, in meedenken.’
‘Maar is zijn positie dan belangrijker dan bijvoorbeeld de positie van de burgemeester?’
‘In Dirkswoud wel. Veel belangrijker. Als je als raadslid niet naar zijn pijpen danst, kun je het wel vergeten.’
‘Hoe komt dat dan?’
‘Dat heeft te maken met zijn manier van mislezen, zal ik maar zeggen. Als hij een H. Mis doet, dan begint hij steevast met te zeggen, nee, te schreeuwen: Godverdomme, stilte! Iedereen is dan natuurlijk stil. En dan begint hij te brabbelen in het namaak-Latijn.’
‘Dus zeg maar dominus vobiscum enzovoorts.’
‘Ja. En ook de hele rest van saecula saeculorum en zo. Hij begeleidt ook het koor op zijn traporgeltje en hij zingt ook mee. Vals natuurlijk, maar dat heeft hem alleen maar populairder gemaakt bij de Dirkswoudenaars.’
‘Slimme man.’
‘Ja, hij is voorlopig onverslaanbaar.’
vrijdag 13 augustus 2010
Vroeger was het een volkssport
Laat ons eens zien wat de sport behelst, dacht ik. Ik reed dus op een zondagmiddag in mijn witte Citroën Berline naar Dirkswoud, parkeerde mijn prachtige auto, en ging op zoek naar het kuulgeweld der dames.
Het wordt je daarbij niet gemakkelijk gemaakt. Er zouden eens onderzoeksjournalisten op af moeten worden gestuurd, maar ook die zouden niets te weten komen, vrees ik. De geslotenheid is puur, en de Dirkswoudse dames verdragen geen inmenging, en zeker niet van een mannelijke provinciegenoot.
‘Is het een balsport?’ vroeg ik aan Johanna Verver, 81 jaar oud.
‘Nee,’ zei zij, ‘met balsporten heeft het niets van doen.’
‘Waar beoefent men dan het kulen?’
‘Op straat.’
‘Waar dan?’
‘Overal.’
Ik liep verder totdat ik Angela Vredeling ontmoette (32 jaren oud, maar al grijs geworden). Zij zei: ‘Het kulen moet je eigenlijk zien als een protest tegen de mannen.’
‘Hoezo?’
‘Nou, je moet je voorstellen dat een man je bijvoorbeeld (ze maakt een gebaar).’
‘U huh.’
‘Nou. En datzelfde kunnen wij vrouwen natuurlijk zelf veel beter.’
‘Maar hoe komt het dan dat jullie na zo’n kuulzondag naar de dokter moeten?’
‘Er zijn helaas altijd vrouwen die te ver willen gaan. Die, om het zo maar eens te zeggen, te diep willen gaan.’
woensdag 11 augustus 2010
‘U bent geen grappenmaker?’

‘Op de Europese Kampioenschappen Langebaanzwemmen te Boedapest heeft de Nederlandse équipe eindelijk succes gehad. De 22-jarige Kees Markinga uit Dirkswoud behaalde de bronzen medaille op het onderdeel schoonspringen vanaf de 1-meter plank. Hij deed dit in een nieuw Nederlands record van 340,5 punten.’
Tot zover de berichtgeving van Studio Sport, vanavond.Het schoonspringevenement werd vanmiddag uitgezonden door Eurosport en ik volgde de wedstrijd in café-hotel Te Waskip, Oosterzij 28 te Dirkswoud. Daar zat voor de tv een gezellige groep mannen, die helaas ook wel partijdig waren. Kreten als de volgende waren niet van de lucht:
‘Blikskaters, wat een mooie sprong!’
‘Kutsprongetje van die kuttekop uit Roemenië.’
‘Die Duitser kan er ook niets van.’
‘Zie je dat Kees al zijn borsthaar erafgeknipt heeft?’
‘Dat heeft hij eraf geschoren.’
‘Nee, erafgeharst. Dat is beter voor de stroomlijn.’
Ik zat naast Pieter Aling, de nu 66 jaar oude ex-kampioen van Noord-Holland. Zijn mening: ‘Ik ben natuurlijk een oude baas, ik kom nog uit de tijd dat dat schoonspringen kunstduiken genoemd werd. Wij schoren onze benen nog niet, want daar hadden wij de financiën niet voor. Wij kliefden het wateroppervlak en als we onder water waren, haalden we onze zwembroek op. Trainers? Die hadden wij niet. Tegenwoordig zitten ze met zijn achten langs de kant te applaudisseren, om de jury te beïnvloeden, maar daar hadden wij geen geld voor. Kijk, de hele sport is veranderd. Vroeger sprongen wij zo (de heer Aling tekent met zijn vinger de bovenste helft van een cirkel in de wat zurige lucht van het café-hotel). Maar tegenwoordig springen ze zo hoog mogelijk, ze maken wat pirouettes en dan komen ze in het water terecht. De hele sport is atletisch geworden, en dat was vroeger anders. Vroeger was het een volkssport, kunstduiken. Ik deed het zo: ik kwam aanrennen op de duikplank, dan dook ik, en terwijl ik mijn duikvlucht maakte, keek ik zo naar de jury (de heer Aling kijkt verheerlijkt boven zijn glaasje jenever uit) en dan kwam ik zo mooi mogelijk in het water terecht. Dat noemden wij: glad neerkomen. Ik had toen mijn snor ook al, ja. Een zwarte snor.’
maandag 9 augustus 2010
Daar mogen wij zelf ook soms iets zeggen
‘In Toomler Theatercafé vanmiddag een waar gebeurd verhaal, verteld door Karsten Weling. Karsten, de microfoon is voor jou!’‘Dank je wel. Dank u, dank u. Dit verhaal is echt gebeurd in Dirkswoud, op woensdagmiddag 16 juni jongstleden, om ongeveer tien over drie. Echt waar gebeurd. Dus ik verzin niets.
In Dirkswoud zijn twee vaarten, de Noorder- en de Zuidervaart. Die vaarten zijn in 1825 gegraven door een legertje arbeiders die net het Noordhollands Kanaal gegraven hadden en die werkloos geworden waren. Er loopt geen weg of straat langs die vaarten, zelfs geen pad. Dirkswoud wordt wel ‘het Giethoorn van het Westen’ genoemd, en dat komt door die twee vaarten. U moet in 2025 eens langskomen, dan wordt er een soort bicentennial gevierd. Men is al met de voorbereidingen bezig, het wordt een groot feest. Zet het alvast in uw agenda: 2025, elke zondagmiddag feest in Dirkswoud, met sprekers, oude ambachten, optochten, versierde bruggen en boten enzovoorts.
Maar nu mijn verhaal, dat overigens naadloos doorgaat. Ik woon op het adres Noordervaart 14. Ik had net mijn afwas van de vorige dag gedaan, op die woensdag de 16e juni, toen ik uit mijn raam keek naar het water van de Noordervaart en naar het bruggetje waarover ik elke dag loop, op weg naar de supermarkt. Het was mooi weer, iets na drieën. Toen stapt er een kerel op mijn bruggetje, gekleed in een grijze, cisterciënzer pij, tenminste, ik dacht dat die orde in het grijs gekleed gaat. Midden op het bruggetje blijft hij stil staan, hij klimt op de leuning en hij springt het water in. Een zelfmoordklant, denk ik nog, maar die man komt druipend het water uit en hij gaat weer op mijn bruggetje staan, klimt weer op de leuning en hij springt weer.
Een vreemde gang van zaken. Ik ga mijn voordeur uit en trek de man uit het water. Hij zegt: ‘Merci, mijn naam is Jochem Mijland. Ik wil op het water lopen, net zoals Jezus. Maar ik moet nog wat oefenen, dat heeft u wel gezien.’
‘U bent geen grappenmaker?’ vraag ik.
‘Nee.’
‘Dan moet u het aanpakken zoals die man in het verhaal Brommer op zee uit In de bovenkooi van Maarten Biesheuvel. Die man reed dus over zee op zijn brommer en legde uit dat hij begonnen was door een speld op het water te leggen. En toen is hij steeds verder gegaan, totdat hij uiteindelijk met zijn brommer op zee kon rijden. Waarom heeft u die pij aan?’
‘Nou, ik dacht dat Jezus ongeveer zo gekleed ging. Maar dat verhaal van Biesheuvel ken ik niet.’
Ik moest even zoeken, maar die bundel van Biesheuvel vond ik en ik gaf hem aan Jochem. Zijn pij had hij uitgetrokken en die deed ik in mijn wasmachine. Ik zette koffie voor ons beiden en ik zei: ‘In 2025 is het groot feest in Dirkswoud. Elke zondagmiddag. Dan kunnen we zo’n Jezus wel gebruiken! Je hebt dus nog 15 jaar om te oefenen.’
Dat beloofde hij te doen, maar ik heb hem sindsdien niet meer gezien of gehoord.
Ik dank u voor uw aandacht.’
IJzer roest nog

Op de Westerweg nummer 3 in het landelijke Dirkswoud woont nog steeds de in 1902 geboren heer Wouter Kraaisma. We gingen hem opzoeken, want je weet het niet. Een zo oud iemand kan ook ogenblikkelijk sterven.De heer Kraaisma, die nog elke ochtend zijn eigen grijze vest aantrekt, zorgt nog steeds voor zijn eigen groenten, in zijn eigen groententuin, achter het huis: prei, uien, wortelen, diverse koolsoorten, andijvie, Opperdoezen.- Meneer Kraaisma?
- Verschrikkelijk!- Meneer Kraaisma, hoe was het tijdens de Eerste Wereldoorlog in Dirkswoud?
- Verschrikkelijk!
- Ja, het zal wel vreselijk zijn geweest.
- Verschrikkelijk!
- Zo veel doden.
- Verschrikkelijk!
- Zo veel leed. Je kunt het nog op de tv zien.
- Verschrikkelijk!
- En later, tijdens de Grote Depressie? Weet u daar nog iets van, meneer Kraaisma?
- Verschrikkelijk!
- De armoede greep inderdaad diep in. Het was ook de tijd dat de tuberculose nog heerste, niet?
- Verschrikkelijk!
- De kinderen moesten naar een koloniehuis in Bergen of in Egmond, toen.
- Verschrikkelijk!
- Dat ben ik met u eens.
- Verschrikkelijk!
- Ja. En even later kwamen de Duitsers ons land binnenvallen.
- Verschrikkelijk!
- En die hebben ons half uitgeroeid.
- Verschrikkelijk!
- Die Duitsers. En weer later verloren wij de finale tegen Duitsland. Weet u dat nog, meneer Kraaisma?
- Verschrikkelijk!
- En een paar jaar later verloren we van de gemene Argentijnen.
- Verschrikkelijk!
- Maar nu is het allemaal een stuk beter, is het niet, meneer Kraaisma? We zitten in de EU, en daar mogen wij zelf ook soms iets zeggen.
- Verschrikkelijk!
donderdag 5 augustus 2010
Onder leiding van pastoor Engelbertus de Zeeuw
In de jaren die ik nu door onze geweldige provincie rijd, in mijn comfortabele, witte Citroën ID/DS Berline (de enige soort auto waarop een mens verliefd kan raken en die in de volksmond snoek of strijkijzer wordt genoemd), word ik keer op keer aangetrokken door de eigenaardigheden die men aantreft in het landelijke Dirkswoud. Ik bereik eerst Alkmaar, wuivend en groetend, daarna Heerhugowaard en tenslotte kom ik aan in het pittoreske dorp.Ik parkeer mijn Citroën Berline en loop verder, of ik stap in een praam (boât, in het Dirkswouds dialect). Ik ben ook eens in een skarrelboât gestapt, een rondvaartboot, en u weet wel welke teksten je dan worden toegevoegd: ‘Rechts ziet u het huisje, rechts meneer, en daar hep Aleida Knol nog woond.’
Ja ja, denk je dan, maar wie was Aleida Knol dan wel? Een schrijfster, een schilderes, een grootindustrieel feministe? Niets van dat al. Aleida Knol blijkt de huishoudster (haaishouster) van pastoor Engelbertus de Zeeuw te zijn.
Aan dit soort kleinigheden merkt men dat er in Dirkswoud wat anders tegen de dingen wordt aangekeken dan elders.
‘Ik ijver,’ zei pastoor Engelbertus me eens, ‘tegen de verdere afkalving van de moraal! En ik ijver vóór de afschaffing van de scheiding van kerk en staat! Nu hebben de mensen twee instanties boven zich, dat kan er best één worden, bestrijdende ook nog eens het begrotingstekort.’
Engelbertus is, behalve pastoor en herder van zijn trouwe kudde, ook de organist van de St. Clarakerk. ‘Dat heb ik gedaan om de heren in Den Haag eens duidelijk te maken hoe wij in de kerk bezuinigen: de organist was hier onnodig en is dus wegbezuinigd, want ikzelf bespeel tamelijk vaardig het harmonium dat naast het altaar staat. Het is een gewoon traporgeltje en daarop begeleid ik alle gezangen, zoals het Sanctus, het Agnus Dei en zo meer.’
Gevraagd naar hun mening over pastoor Engelbertus, is vrijwel iedere Dirkswoudenaar enthousiast. De heer Pieter Bruinsma, lid van het kerkkoor: ‘Een man van stavast. Een ijzeren wil, wat zeg ik, ijzer roest nog. Een roestvrijstalen wil. Als hij zegt: Nu gaan we het Credo zingen. Pagina negen. Dan weet het hele koor ook dat dat Credo ongeveer op de pagina’s zeven, acht, negen, tien of elf moet staan. Nooit verwarring in de kerk.’
woensdag 4 augustus 2010
Ik begin
Dirkswoud, ook wel ‘Het Giethoorn van het Westen’ genoemd, ligt in de provincie Noord-Holland. Preciezer: het ligt binnen de driehoek Alkmaar-Schagen-Hoorn. Als u vanaf deze drie plaatsen loodlijnen neerlaat die uitkomen op de tegenoverliggende zijden, dan ligt Dirkswoud op het punt waar die loodlijnen elkaar snijden.Dirkswoud telt 2.461 inwoners (telling gehouden op 9 jan. 2009).
Een eigenaardig kenmerk van Dirkswoud is zijn indeling: er bestaat een Noordervaart, een Zuidervaart, een Westerweg en een Oosterzij. De Kerkweg loopt, midden tussen de Noorder- en de Zuidervaart, van de Westerweg totaan de bij de Oosterzij gelegen Rooms-Katholieke St. Clarakerk. Achter de kerk ligt het kerkhof. Meer straten, wegen, vaarten of pleinen telt Dirkswoud niet, en men is ook van plan het zo te houden. Dirkswouders zijn er trots op dat zij in het enige dorp in Nederland wonen, dat geen nieuwbouwwijk heeft.
Geschiedenis
In 1181 was er al sprake van Dirxwoude. Men maakt zich al klaar voor het grote millenniumfeest in 2181, want de klimaatcrisis zal Dirkswoud niet treffen, noch verwacht men enige andere crisis.
Graaf Dirk van Hoorn gaf Dirxwoude in 1183 stadsrechten (waardoor het kleine gemeentehuis aan de Noordervaart nog steeds stadhuis wordt genoemd), welke rechten verloren gingen na de dood van Dirk in 1184. Binnenkort gaat de wethouder van Sport, Cultuur en Wegenaanleg, de heer A. Braas, praten in Den Haag over teruggave van die stadsrechten.
Het stadswapen (zie boven) herinnert nog aan het graven van de vaarten.
In de jaren dertig van de vorige eeuw werd Dirkswoud bekend om zijn papaverteelt (in de volksmond: ‘snaaiblomme’ of ‘snijbloemen’), van welke teelt men in de jaren tachtig heeft moeten afzien.
Sport en culturele activiteiten
Bekend in Dirkswoud is het zogenaamde ‘keiwerpen’, een gevaarlijke en blessuregevoelige sport.
Voor de meisjes is er het minder gevaarlijke, maar even blessuregevoelige ‘kulen’, waarvan buitenstaanders tot nu toe nog geen kennis hebben kunnen nemen.
Verder zijn er Schaakvereniging St. Clara, Toneelvereniging St. Clara en de Verkenners van St. Clara, alle Rooms-Katholiek van oorsprong, en nog steeds onder leiding van pastoor Engelbertus de Zeeuw.
Geloof en politiek
Dirkswoud is voor het overgrote deel Rooms-Katholiek (96% stemt CDA). Er is ook een klein groepje (jonge) Dirkswoudenaren, die zich verzameld hebben in de ARD (Anti-Racistisch Dirkswoud) en het RWNH (Recht voor Walvissen Noord-Holland).
Pastoor Engelbertus de Zeeuw spreekt zich steeds uit voor afschaffing van de scheiding van kerk en staat.
Bekende inwoners
• Johanna van der Peet (1798-1887), waarzegster.
• Jaap ‘Snaaiblom’ Graatsma (1901-1981), de eerste papaverboer.
• Giselle Draaijer (1846-1892), schrijfster van Al de waerelt.
• Cornelis Draaijer (1868-1939), uitgever van Al de waerelt.
Abonneren op:
Posts (Atom)






