dinsdag 19 oktober 2010

Te weinig manschappen

‘We zaten met te weinig manschappen in het verkeerde land,’ zegt de 84 jaar oude Kees Klaver uit Dirkswoud. Hij zat van 1947 tot 1950 in Indië, je had toen nog dienstplicht. ‘Als we wat hadden willen betekenen, dan hadden we minstens een miljoen Nederlandse soldaten daar moeten hebben. En dat had wel gekund, maar dan had je het een oorlog moeten noemen. Niet een politionele actie. En het was nog zo kort na de tweede wereldoorlog, hè?’
‘Van die drie jaar Indië heb ik alleen twee houten beeldjes overgehouden. Gekocht in Surabaja. Daar lagen we, hè? Ik heb zelf nooit gevochten, als er een schot werd gelost, vluchtte ik in een boom. Ik was schrijver in Indië, ik werkte voor adjudant Jager.’
‘Wat wij van de Indiërs hebben geleerd, is koken. De Indiërs doen door al hun eten trassi, dat geeft het die typisch Indische smaak. Trassi, ketoembar, sereh, kemirinoten, djahé, lombok. Ja, ze aten er goed van!’
‘Toen ik terugkwam in 1950, ben ik meteen getrouwd met Marie. Ik kende Marie al voordat ik naar Indië ging, we hadden contact via Radio Bandung. Ik werd loodgieter in Dirkswoud. Maar ik heb steeds het idee gehad dat we met te weinig manschappen in het verkeerde land zaten, ik kan er niets aan doen. Ik bedoel, in Nederland voelde ik me ook niet meer senang. Te koud, dit land.’
‘Ik had wel weer naar Indonesië terug willen gaan, maar toen het zo ver was, overleed Marie. Ze kreeg botkanker. En om nou in je eentje te gaan... Dan weet je wel zeker dat je manschappen tekort komt.’
‘En nou ben ik 84 en wil ik nog steeds naar Indonesië toe. Heuvels, bergen, vulkanen, oerwoud, watertjes waar je lekker kunt vissen. Indonesië is het mooiste land van de wereld. Dat vond Rudy Kousbroek ook, die is geboren op Sumatra.’
‘Ik heb nog steeds een goede hand van schrijven. Kijk, ik doe mijn ballpoint tussen mijn wijs- en mijn middelvinger. Zo leerden we dat op school, hè? Dat leren ze niet meer, tegenwoordig.’
‘Wij zijn in het verkeerde land geboren.’

zondag 17 oktober 2010

Je moet er wat voor doen!

Er zijn zes of zeven branden aangestoken, de laatste twee jaar, in het duingebied bij Bergen. Wat de politie dan moet doen, natuurlijk (ik weet niet of ze het gedaan hebben), is: fotograferen wie er bij hebben gestaan tijdens het blussen. Dan heb je meestal de dader wel. Er kan ook een geval zijn van een brandweerman die het vuur heeft aangestoken, en die vervolgens de brand gaat oplossen. Dat komt niet zo vaak voor, maar het is in de Verenigde Staten al een paar keer voorgekomen.
Aangenomen dat de politie nog steeds geen dader heeft gevonden, en aangenomen dat ze de mensen tijdens de blussing hebben gefotografeerd en geanalyseerd – het wordt toch tijd uw analyse te verbreden tot de brandweermensen. Speciaal tot de brandweermensen die op de plaats zijn geweest waar de brand ontstond.
Maar dat is teveel werk, natuurlijk. De prioriteit ontbreekt. Te weinig manschappen. U kon niet tijdig genoeg een fotograaf regelen enzovoorts.
Hetzelfde overkwam een winkelier in Dirkswoud, de heer Klaver van Klaver Carillons, aan de Oosterzij 38. De heer Klaver is een struise zestiger die al veertig jaar lang carillons en carillonnetjes verkoopt. Hij werd overvallen door twee jongens, gewapend met een pistool, die er vandoor gingen met de inhoud van de kassa en met een werkstuk, het Carillon de Bruges. De heer Klaver belt de politie, de politie neemt op, en het duurt nog drie kwartier voordat de politie arriveert.
De gearriveerde politieagent (Leo Goossens, een goede vriend van me, overigens) is nu nog bezig getuigeverklaringen op te nemen van de buren. Terwijl ze bijvoorbeeld hadden kunnen nagaan wie er kennis hadden van de recente aanwinsten van Klaver: het Carillon de Bruges bijvoorbeeld. Dat heeft niet in de krant gestaan, dus weinig mensen hebben er weet van.
Ook bij de recente moorden in Dirkswoud moet de politie op die manier te werk gaan, lijkt mij. Slimmer dan tot nu toe. Doortastender. Diepgravender. Ik zou de politie te Dirkswoud wel een handje willen helpen, maar een uitgestoken hand wordt niet altijd geschud, zoals u weet.

vrijdag 15 oktober 2010

Een lichtende toekomst!

Het worden mooie tijden voor ieder in Dirkswoud die van kippesoep houdt! Mevrouw Sara de Waard, van de vroegere Fourniturenzaak De Waard (‘Die zaak liep niet meer, dus die heb ik opgedoekt’) aan de Westerweg 73, gaat op ditzelfde adres Toktok beginnen.
Herman van der Woude van De Dirkswoudenaer: ‘We hebben besloten dat mevrouw De Waard gratis mag adverteren, eenmaal in de week, voor haar kippesoepbar Toktok. Op voorwaarde dat wij van de krant allemaal eens in de week een kom soep van haar krijgen. Ik dacht dat wij zo een win-win-situatie gecreëerd hebben.’
Sara de Waard: ‘Ik wou mijn voorraad uit de fourniturenzaak niet zomaar wegdoen – trouwens, er was toch geen koper voor – dus heb ik al die knoopjes, ringetjes, applicaties, stukjes band en koord vastgezet op mijn stoelen en tafels. Die zien er nu gezellig uit! Ik heb tien tafeltjes en veertig stoelen, en ik ben in mijn eentje, dus kun je nagaan wat een werk het was!’
En hoe gaat u het met de kippesoep doen?
‘Op maandag ben ik dicht, dan heb ik mijn vrije dag. Dinsdagochtend maak ik een grote pan Hollandse kippesoep en een grote pan andere kippesoep. De eerste week wordt dat pinda bravoe, dat is Surinaams, en dat houdt eigenlijk alleen in: kippesoep plus iets scherps plus pindakaas. De volgende week wordt het Javaanse kippesoep. De week daarna wordt het Thaise kippesoep. Enzovoorts. Maar de basis is steeds: de ouderwetse soepkip.’
Ik neem aan dat er stukjes brood bij een kom soep gaan?
‘Ja, uiteraard. De klanten mogen kiezen: wit of bruin. Een kom soep plus wat stukjes brood kost bij mij 3 euro. Want ik hoef er geen grote winst op te maken, ik doe het voor de gemeenschap.’
Hoe laat kunnen de mensen bij u terecht voor een kom kippesoep?
‘Ik ga om 12 uur open en ik sluit om 6 uur, van dinsdag tot en met zondag. Want maandag heb ik een vrije dag. Een mens moet ook zijn rust pakken tenslotte. Op maandag ga ik langs met twaalf kommen kippesoep die ik van de zondag nog overheb, bij De Dirkswoudenaer en dan heb ik ook de tekst voor de advertentie van die week bij me. Ja jongen, je moet er wat voor doen! Het is heus meer dan alleen maar de kip uitpluizen en de groenten snijden!’

woensdag 13 oktober 2010

Niet met de socialisten

Het overwegend katholieke en CDA-stemmende Dirkswoud kent natuurlijk wel een communistische  cel. Een cel waarin voortdurend wordt vergaderd, een cel van waaruit voortdurend brochures uitgaan, die huis aan huis worden uitgevent. Ze zeggen zelf: wij zijn geen communistische splintergroepering, maar een socialistische hulpgroep. Hun adres mag ik niet bekend maken, maar we zitten aan de Noordervaart.
Hier is een van de belangrijkste woordvoeders, J. de V.: ‘Wij zijn, door de omstandigheden gedwongen, ondergronds gegaan, dat is waar. Daardoor kunnen wij niet rechtstreeks meer zorgen voor de rechten van de arrebeiers. Waarvan er nog zoveel zijn! Hun rechten, daar gaat het ons om, daar vechten wij voor. Onder onze leiding kan daar een eind aan gemaakt worden. Neem nu dit voorbeeld, dat schreeuwt om een revolutie. En reken maar dat wij dan voorin staan! Tuinder Barksen krijgt er een paar hectaren grond bij, en ontslaat meteen één van zijn beste hulpjes. Waarom, dat weten wij niet, meneer Barksen! Het zal komen door uw koelakkendom. Daardoor hebt u geen weet van de rechten van de kleine man. Maar wacht maar totdat de kleine man opstaat en, onder leiding van de revolutionaire garde, duidelijk maakt wie er nu de baas is! Dan zult u wel anders piepen, meneer Barksen!’
Ik vroeg: ‘Dat koelakkendom waar  u  het over had, dat was toch een door Stalin in 1930 uitgevonden non-probleem, dat alleen maar miljoenen doden heeft opgeleverd?’
J. de V.: ‘Wij houden Stalin in ere, meneer. Wij houden van onze Grote Vriend Aller Mensen. Hij heeft misschien op een enkel punt wat foutjes gemaakt, maar het is ook zo’n groot land! Dan is het onvermijdelijk dat er fouten voorvallen. Kijk eens positiever naar de man! Hij heeft Rusland omhooggetild vanuit een grauw moeras naar een lichtende toekomst!’
Daarop zei ik: ‘Ja, maar hij heeft mede de Tweede Wereldoorlog veroorzaakt in 1939. Hij heeft daarnaast 20 miljoen doden op zijn geweten. Dan kun je toch geen gunstige...’
Op dit punt aangekomen, werden de hoofden roder en kwader en ik besloot dat het beter was zeer snel het pand te verlaten. Met gelovigen is het altijd kwaad kersen eten.

maandag 11 oktober 2010

De Dirkswouders zijn wel verstandiger

De heer Gerard Antonissen, fractievoorzitter van het Dirkswoudse CDA, zegt over het nieuwe kabinet en wat er zoal gaat gebeuren, het volgende: ‘Het beste was natuurlijk geweest als we met de sociaal-democraten iets waren gaan doen. Niet met de socialisten, daar hebben we schoon genoeg van. Dat is onbetrouwbaar volk, maar de sociaal-democraten zijn altijd, hoe zal ik het zegggen, nogal volgzaam geweest. Een prima combinatie. Maar goed, nu zitten we in het kabinet-Wilders, want dat is even een ernstiger probleem. Tuurlijk moet er bezuinigd worden. Er gaat ook bezuinigd worden, maar veel minder dan die beroemde achttien miljard van meneer Rutte. Die heeft dat getal ook maar uit zijn duim gezogen natuurlijk.
Een gouden idee van Maxime is geweest, het neerzetten van de zeer populaire Gerd Leers op Immigratie en Inburgering, of hoe dat ministerie ook gaat heten. Een jaar geleden was Gerd nog de gebeten hond in Maastricht, hij zou de boel getild hebben, maar dat zijn we allang vergeten. Het wordt botsen tussen Leers en Wilders. Gerd heeft in interviews al meer dan eens duidelijk gemaakt hoe hij over Wilders denkt. Dus.
Wij blijven het hier in Dirkswoud allemaal maar aanzien. We zitten hier nu met pastoor Engelbertus, die wel een goed katholiek is, maar die ook teveel invloed wil hebben. Zo wil hij de film Zeitgeist niet laten vertonen in het Parochiehuis. Dat wil de rest van het CDA nu juist wel: de mensen informeren over hun godsdienst. De pastoor zegt dat het allemaal opruiende taal is, maar dat is het niet. Ik heb die film zelf al gezien, en opruiend is het zeker niet. Het enige bezwaarlijke is dat goden als Horus en Mithras gelijkgesteld worden aan Jezus Christus. Of eigenlijk: die worden hoger gesteld dan Jezus, want ze waren al zoveel duizend jaar eerder dan hij aan de beurt. Je zou kunnen zeggen dat we net zo goed de zon kunnen aanbidden en aan astrologie moeten gaan doen. Wel, dat vindt het CDA óók goed als u dat doet. Binnen het CDA kunt u altijd terecht, met al uw religies. Zelfs als u een atheïst bent, kunt u in het CDA terecht.’

Het hele openbare leven staat stil

Dierendag (4 oktober) is altijd een feestdag geweest in het landelijke Dirkswoud. Ze noemen het Dierendansdag. Het is niet zo dat de Dirkswouders op Dierendansdag hun levende have laten dansen, want dat kun je één keer doen en dat kun je twee keer doen, maar de derde keer komt er iemand van de Diereninspectie kijken. Nee, de Dirkswouders zijn wel verstandiger. Ze gaan zelf dansen, onder het motto: wij zijn zelf ook beesten, waarom zou je op 4 oktober nou een feestdag gaan maken voor alleen de andere dieren? 
De kerk verbiedt deze gedachte natuurlijk, bij monde van pastoor Engelbertus, die er de bijbel bijhaalt om te verkondigen dat wij mensen naar het beeld van God geschapen zijn. Maar de katholieke bevolking heeft nooit de bijbel gelezen, en redeneert ongeveer: jij mag elke keer je processies houden, dan moeten wij onze feestjes ook mogen houden.
Om zeven uur in de ochtend opent het ‘danskantoor’ in café Amperzat, waar men zich kan inschrijven. Inschrijving dient niet getweeënlijk te geschieden. Na de inschrijving wordt je naam op een briefje geschreven en in een hoge hoed gedaan. Daaruit wordt je naam getrokken en de naam van de danspartner, met wie je de gehele dag zult moeten dansen. Het maakt niet uit welke dans je doet, het mag de cha cha cha zijn, de Engelse wals, de slowfox, de rumba, de tango. Alles mag, maar je moet het wel een hele dag lang volhouden.
Het dansen begint om negen uur ’s ochtends en duurt tot negen uur ’s avonds. Als je dus boodschappen moet doen bij de slager, dan zul je dat dansend moeten doen. Als je een pilsje gaat drinken (zeer slecht voor de benen!, je kunt beter een jenevertje nemen), dan moet je dat ook dansend doen.
U kunt zich wel voorstellen wat hiervan de gevolgen zijn. Een ongekende piek in de geboortecijfers in het begin van de maand juli, dat natuurlijk ten eerste, maar ook huwelijken, scheidingen enzovoorts. En u kunt zich wel voorstellen dat het de volgende ochtend een geroezemoes is bij de dokter, die het elk jaar op de 5e oktober druk heeft met de ledematen van de Dirkswouders.

zaterdag 9 oktober 2010

Het echte werk

De Sint Clarakerk van Dirkswoud is niet genoemd naar Clara van Assisi of Clara van Goes of Clara van Japan, maar naar Clara Fornari uit Umbrië, Italië, die stierf in 1744, en van wie niets meer bekend is dan dat zij reeds vanaf het moment van haar intrede bij de Clarissen, een zusterorde, begiftigd was met bovennatuurlijke genadegaven, vooral tijdens het gebed. Haar feestdag valt officieel op 9 december, maar daar heeft pastoor Engelbertus, wegens de onhandigheid van die datum (zo vlak na Sinterklaas en zo vlak vóór Kerstmis), 9 oktober van gemaakt.
Het hele openbare leven staat stil op 9 oktober. De Dirkswouders gaan naar de H. Mis, waarin de preek van pastoor Engelbertus handelt over bijvoorbeeld een landloper, wiens rechterbeen geamputeerd was na ‘knobbelkoorts boven de knie’ en die naar het Clarissenklooster strompelde, daar door de heilige Clara werd ontvangen en wiens rechterbeen in de dagen erna ‘er weer aan groeide’. ‘Geen wonder,’ aldus de pastoor, ‘dat wij ons op deze dag tot Sint Clara wenden!’
Na de H. Mis volgt elk jaar de Sint Claraprocessie, die door heel Dirkswoud voert en veel vertier geeft voor de honden.
’s Middags voetbalt het eerste elftal van R.K.V.V. Sint Clara een vriendschappelijke wedstrijd tegen een club uit een naburig dorp, een wedstrijd die sinds enige jaren niet meer bezocht mag worden door de keiwerpers, omdat zij voor problemen zorgden.
’s Avonds is er in het Parochiehuis een toneelvoorstelling van de R.K. Toneelvereniging St. Clara, en ook de R.K. Schaakvereniging St. Clara doet van zich spreken. De schakers organiseren elk jaar op 9 oktober een tweezet-toernooi. Men kiest tien schaakdiagrammen uit (zoals het diagram dat boven dit stukje staat afgedrukt; dat is overigens een tamelijk onbekende van schaakkunstenaar Sam Loyd met als opgave: wit zet in twee zetten mat. Zet uw oplossing in de reacties). Wie de meeste ervan weet op te lossen, wint.
En ’s nachts gaat het nog tot een uur of twee door in café Amperzat, met muziek van het duo Kant & Clara.

donderdag 7 oktober 2010

Makkelijk zat

Twee of drie keer per jaar ga ik op bezoek bij Leo en Cora Goossens. Leo (‘Je mag ook Leonardo zeggen’) is de politieagent van Dirkswoud. Hij woont op de Westerweg 188. Leo en Cora hebben twee zoons: Piet, 14 jaar, die volgens vader Leo ‘al een echte handhaver van wet en orde’ is, en Jacob, 11 jaar, die ‘zich nog moet bewijzen’. Jacob zelf zegt dat hij in stilte werkt aan zijn toekomstig schrijverschap. Wel, hij heeft al een ongelukkige jeugd, dus met dat schrijverschap zal het wel goed komen.
De laatste keer dat ik bij Leo en Cora op bezoek was, spraken wij als volgt.
- Leo, kun je mij nou eens uitleggen wat het verschil is tussen het politiewerk van zeg vijftig jaar geleden en het politiewerk van nu.
- Het verschil is de jeugd. Vijftig jaar geleden was ikzelf nog geen politieagent, maar mijn vader was het wel. En die had ontzettend veel te stellen met de jeugd van Dirkswoud. Wilde rasballen, noemde hij ze. Die wildheid is er nu wel uit, naar mijn idee. Er is ook geen hangjeugd in Dirkswoud. In Dirkswoud zijn ook nooit provo’s geweest. Tegenwoordig zitten al die jongetjes achter hun computer, dus dat maakt het politiewerk er een stuk gemakkelijker op.
- Je kunt je dus wijden aan het echte werk.
- Ja. Ik weet nog dat in mijn vaders tijd de weduwe Van der Waaij op klaarlichte dag werd overvallen in haar huis. Het duurde, door de ellende die hij ook had met die wilde rasballen, een eeuwigheid voordat hij iemand in de kraag kon vatten. Een half jaar. En die had het nog niet eens gedaan ook, bleek later. Wat ook een groot verschil is: de regeltjes waar je je als politieman aan moet houden. Neem alleen het DNA-onderzoek maar. Ik zeg: gooi dat maar allemaal in mijn pet. Waardeloos. Wat moet je als politieman doen? De verdachte aanhouden en voorgeleiden. Punt uit.
- Is er tegenwoordig een zaak waar je mee bezig bent, Leo?
- Nee. (Dit gesprek vond plaats vóórdat deze zaak zich afspeelde.) Moorden en doodslagen hebben we hier niet, in Dirkswoud. Een vredig dorpje. Overvallen en inbraken hebben we ook bijna nooit. Maar als ze gebeuren, dan staat hier Leo Goossens paraat! Traag, maar efficiënt. Met uitgekiende verhoortechnieken!
- Zo mag ik het horen, Leo.

woensdag 6 oktober 2010

Je moet soms in de kleinste hoekjes wroeten

Dit is Jan. Waar woont Jan? Jan woont in Dirkswoud. Zijn papa is kruidenier. De grootste kruidenier van het héle land. Van Europa. Van de wereld. Ja, kom niet aan Jan z’n papa! Want dan wordt Jan heel boos! Tandpasta, krentenbollen, pindakaas, alles kun je kopen in zijn winkel.
Jan is al acht jaar. Hij zit in de vierde klas, bij meester Veertmans. Het leren gaat oké, zegt meester Veertmans over Jan. Maar Jan moet wel beter opletten in de klas. En minder vrolijke keet trappen.
Maandag deed Jan nog dit in de klas. Terwijl meester Veertmans iets op het bord schreef. Hij schreef ‘Egypte’ op het bord. En toen liet Jan zich gewoon vallen. Gewoon uit zijn schoolbank viel hij. Daar lag hij. En de klas begon al te lachen, toen Jan riep: ‘Oh! Ik heb ziektes!’ Dat was lachen geblazen! Meester Veertmans, die links is, want hij schrijft links, kwam erbij en vroeg: ‘Waar doet het pijn, Jan?’ De hele klas stond er omheen te ginnegappen. En Jan zegt: ‘In m’n piramide, meester!’ ‘In je wat?’ vroeg meester Veertmans. ‘Het is alweer over,’ zei Jan. Hij stond op, en boog voor de hele klas. Ja, een grappenmaker eerste klas is Jan! Wat hij later zal worden, weten we nog niet. Maar het zal een beroep om te lachen zijn.
Op woensdagmiddag heeft Jan vrij. Dan gaat Jan eerst een uurtje helpen in papa’s winkel. En dan steelt hij soms kleine dingetjes, zoals Belgische caramelbonbons. Gewoon onder zijn trui stopt hij een doosje, want het zijn heel platte doosjes. Zijn vriendje, Pierke Hanink, van de ijzerwinkel, heeft dan soms ook iets gestolen. Zoals een doosje schroeven of spijkers. En dan maken ze een bordje met Spijkers en bonbons! Heel goedkoop hier! erop. En dan gaan ze gewoon langs de weg zitten. Dan is het wachten op mensen die voorbij fietsen. Dat ze stoppen. Soms zijn de bonbons op, en dan zet Jan gewoon een streep door en bonbons. Makkelijk zat.
Of Jan en Pierke gaan appelen jatten. In de achtertuin van mevrouw Verwees, daar hangen mooie appelen! Maar mevrouw Verwees heeft een heel gevaarlijke hond, een bruine. Maar dat kan Pierke heel goed. Met hondensnoepjes houdt hij de hond rustig, dat hij niet gaat blaffen. En ondertussen klimt Jan de appelboom in en pakt hij onwijs veel appelen. Maar op een keer kwam mevrouw Verwees naar buiten. Toen had je de poppen aan het dansen, want die hond begon ook te blaffen. Jan sprong natuurlijk uit de boom en hij kwam onder de schrammen te zitten. Ja, met Jan kun je lachen!

dinsdag 5 oktober 2010

Ik ben me aan het bezinnen

Katlijn Everse (een grapje voor de goede verstaanders: Katlijn heeft géén Japans gezicht. Ze heet gewoon Katlijn) is een schat van een meid van 19 jaar, blond, goed gevormd, onschuldig, zelfstandig wonend aan de Noorderweg 26 in De Kaagsteeg, een wat rommelig ingericht huisje, maar wat wil je. Op zo’n leeftijd ruim je nog niet alles op. Ik reed, wuivend en groetend, door De Kaagsteeg in mijn comfortabele, witte Citroën Berline, vermoedend dat ik mijn grenzen eens moest verleggen.
Ik moet zeggen: vergeleken met de bevolking van Dirkswoud is die van De Kaagsteeg heel redelijk te noemen. Ik ontmoette Katlijn in café ’t Hoekje in De Kaagsteeg, waar ik mijn prachtige auto parkeerde. Katlijn bevond zich als enige in het café, ze stond achter de bar en ze had nog een uurtje dienst toen ik er aankwam. Het lieve meisje wou namelijk antropologie, of zoiets, gaan studeren in Amerika, moest nog een jaartje sparen en stond daarom ’s middags in de kroeg.
Ik geef u het letterlijke gesprek dat tussen ons heeft plaatsgevonden, en dat ik ook heb doorgegeven aan de Dirkswoudse politieagent Goossens. Voortreffelijke vent overigens.
- Je hebt weinig volk, Katlijn.
- De mensen werken, hè?
- Ach zo. Wat voor antropologie ga je eigenlijk studeren?
- Culturele antropologie. Volkenkunde noemden ze dat vroeger.
- Ach! Dat is toevallig ook mijn terrein! Zo bestudeer ik al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw de Dirkswouders.
- Wat valt daar nu aan te bestuderen, meneer?
- Heel wat, Katlijn! Heel wat. Maar je moet soms in de kleinste hoekjes wroeten om iets naar boven te krijgen.
- Hi hi!
- Zal ik je straks naar huis rijden in mijn auto?
- Uitstekend.
Een kwartier later maakte Katlijn de bar en de glazen schoon, en kwam Henk de Wit binnen, de café-eigenaar. ‘Zo Katlijn, is je oom binnen?’ ‘Nee hoor,’ zei ik glimlachend, ‘ik ben een studiegenoot van Katlijn.’
We reden naar de Noorderweg, naar Katlijn’s adres en gingen naar binnen, om nog even na te praten over de antropologie en wat dies meer zij. Een half uurtje later vertrok ik weer naar huis.
Nu blijkt dat Katlijn twee dagen later dood is aangetroffen in haar woning. Vermoord, zo’n onschuldig meisje dat geen kwaad in de zin had. Volgens politieagent Goossens was ze geworgd en ook seksueel betast geworden. Of ik daar iets mee te maken had. Ik zei natuurlijk, naar waarheid, neen.

maandag 4 oktober 2010

Er moet een modernisering komen

Pier Hanink van IJzerhandel Hanink (Oosterzij 39) geeft zijn strijd voor een betere maatschappij niet op. ‘Zoals mijn vader en mijn grootvader hebben moeten knokken om vooruit te komen, zo berust ik ook nooit. Het zal in mijn genen zitten. Ik ben zelf van na de oorlog, maar zoals de Haninkjes hebben moeten vechten tegen de Duitse overheersers, goh goh! De hekkensubsidie zijn we kwijtgeraakt door het CDA, dat altijd voor het rentmeesterschap was, maar dat nu niet meer is. Schande, want wat kan een mens nu beter om zijn erf hebben dan een goed, hoog en sterk hek. Het zal het einde voor de Hanink Hekwerken betekenen, maar dat interesseert de dames en heren in de gemeenteraad niet.’
De heer Hanink heeft nog geprobeerd om de gemeenteraad zo ver te krijgen dat er wel subsidie kon worden gegeven voor ‘hekwerken van verzwaard plasticmateriaal’, maar hij moest teleurgesteld het gemeentehuis verlaten.
‘Ik werd eenvoudig uitgelachen door de dames en heren! Uitgelachen! Er is toch nauwelijks diefstal of inbraak in Dirkswoud, grinnikten ze. Ja, maar hoe komt dat? Door de hekken! Rentmeesterschap, heren, daar draait het nog steeds om in 2010!’
‘Ik heb me inmiddels uitgeschreven als lid bij het CDA, jazeker. Weg van die verkalkte troep, die uitgezakte bende. Ik ben me aan het bezinnen. Er zijn al mensen bij me langsgeweest, die zeiden: je moet bij de PVV komen. Wilders, dat is een goeie. Maar ik vind die naam Wilders al zo’n boevennaam, dus dat doe ik niet. Ik zit er nu over te denken om met een eigen lijst, Erfafscheidingen Dirkswoud (E.D.), aan de volgende gemeenteraadsverkiezingen mee te doen. En dan zullen we het nog eens zien! En dat E.D. mag u gerust ook lezen als ‘En Dergelijke’, want er komen natuurlijk meer punten in ons programma. Zoals. De veiligheid van onze burgers moet gewaarborgd worden. Dus: meer blauw op straat en op de vaarten. Kentekenregistratie bij de ingangen van het dorp en verplichte fouillering van eenieder die het dorp binnenkomt. Voorts: paspoortcontrôles wanneer de toezichthouder vermoedt dat de binnenkomer een buitenlander is. Jawel! Want hoeveel worden de winkeliers en rustige burgers van Amsterdam, Rotterdam en Utrecht  niet beroofd, vaak gewoon midden op straat en overdag! En door wie? Door buitenlanders, meneer! Dat moeten wij in Dirkswoud te allen tijde zien te voorkomen.’

zaterdag 2 oktober 2010

Dat komt eigenlijk door mij

Op 1 oktober vindt elk jaar in Dirkswoud de bamisprocessie plaats. Bamis is een verkorting van Bavomis, en Sint Bavo is de patroonheilige van het bisdom Haarlem-Amsterdam. Hij werd altijd aangeroepen voor een goede oogst, maar dat was niet meer van deze tijd, zei pastoor Engelbertus de Zeeuw mij. Er waren nog wel een paar boertjes met een gemengd bedrijf in zijn parochie, zei hij, maar het hield niet over. De meeste oogst in Nederland zit in de Noord-Oost Polder en in het Westland, die zit niet hier. En om nou voor de Noord-Oost Polder te gaan bidden en processielopen...
- Wat te doen, meneer Hoogeboom?
- U wilt niet van uw bamisprocessie af?
- Nee, alle processies blijven. Maar er moet een modernisering komen.
- Tja. Je kunt natuurlijk geen processie gaan lopen en er dan niet bij zeggen waarom je hem loopt. Wacht eens, Sint Bavo wordt ook aangeroepen voor long- en keelontstekingen! Zou dat geen goed idee zijn?
- Hmm!
En zo komt het dat in augustus en september in de Sint Clarakerk steeds weer werd gewaarschuwd voor de ‘besmettelijke keelklachten’ en de ‘levensgevaarlijke longontsteking, die ook in onze parochie weer opgeld doet’. ‘Meestal,’ zei de pastoor vanaf zijn preekstoel, ‘kan een goede KNO-arts er nog veel aan doen, maar soms is het te laat. Stil, godverdomme! Maar soms is het te laat, en dan wordt het tijd om onze goede Sint Bavo aan te roepen. Sint Bavo, onze patroonheilige tegen long- en keelklachten, die tijdens zijn kluizenaarsschap al diverse mensen uit de dood heeft getild en wederom tot leven heeft gebracht. Die vooral de mensen met keelklachten ten goede is gekomen.’

vrijdag 1 oktober 2010

Een seksueel dier

- Wij, van RTV Dirkswoud, gaan vandaag, in het kader van het veelbekeken programma In de keuk’n kiek’n, eens op zoek naar Wilfred de Groot. Wie is Wilfred? Wilfred is een aankomend Dirkswouds pornotalent. We bellen aan. Tríííng!!
- Ja?
- Goedemiddag, mevrouw De Groot. Wij zijn van RTV Dirkswoud. Is Wilfred thuis?
- Nee. Die is er even niet.
- Maar mogen we bij u binnenkomen?
- O ja hoor!
(...)
- En hoe is Wilfred bij de porno terechtgekomen?
- Dat komt eigenlijk door mij. Wilfred had altijd al het idee: ik ga het maken in de film, op het toneel en zo. Dus hij ging al die musicalliedjes uit zijn hoofd leren. Heel knap, hoor, maar door die ecomononische recessie loopt dat allemaal terug, hè, die musicals. Daar vind je niet ééntweedrie een baan meer.
- Daarna heeft Wilfred zich enige tijd op het cabaret toegelegd.
- Ja, maar daar moet je een scherpe tong voor hebben, en dat hebben de De Grootjes niet. Dus dat heeft maar een jaar geduurd. Hij werd er zo draaierig van, dat ik dacht: nu moet er wat gebeuren. Dus ik heb de Handyman gebeld. Kunt u niet een jongen gebruiken, vroeg ik. Heppu niet een meisje? vroeg ie. Ik zeg, nee, ik heb alleen een jongen van achttien. Maar hij zegt: kom maar langs. Wij er dus op af. En hij kreeg een baan aangeboden.
- Als porno-acteur?
- Als porno-acteur, ja. Daar komt hij net aan.
(...)
- Wilfred, welke talenten moet je hebben als porno-acteur?
- Je moet ten eerste vreselijk hard willen werken. Het is geen baantje dat je van 9 tot 5 uur doet. En dat kan ten koste gaan van je privéleventje, is het niet, moeder?
- Dat valt best mee, jongen.
- En verder moet je een héél klein beetje kunnen acteren, maar dat moet je zo doen dat de mensen dat niet zien. Dat je acteert. Dat is ook het grote verschil met de bühne of de Nederlandse film. Iemand als Jeroen Krabbé zou geen hoge ogen gooien bij de Handyman.

donderdag 30 september 2010

Er waren nog wel hoogtepunten

ALKMAAR – Van onze speciale correspondent. Door een eigenaardig voorval kon de voetbalwedstrijd Kolping Boys–R.K.V.V. Sint Clara uit Dirkswoud gistermiddag niet gespeeld worden. Aanwezig van de oranjezwarte geweldenaren uit Dirkswoud waren slechts de blonde aanvaller Henk Mes en middenvelder Peter van der Vaart, die zegt dat hij liever met Rafael wordt aangesproken. Beiden waren op eigen gelegenheid naar het Kolping Boys-terrein gegaan, en hadden geen weet van de toestanden in de bus, waarin zich de rest van het elftal bevond.
Wat was er gebeurd? De mentaal begeleider van Sint Clara, pastoor Engelbertus de Zeeuw (wiens adagium luidt: ‘Geen seks tijdens de wedstrijd!’), tevens voorzitter van de R.K.V.V. Sint Clara, had in de nacht vóór de wedstrijd iets gezien.
De pastoor: ‘In die nacht bevonden zich te half drie op het pleintje voor het Parochiehuis, en dat is recht tegenover de pastorie, vier mensen, drie van het vrouwelijk geslacht, één van het mannelijk. De mannelijke persoon was de trainer van het zo succesvolle team van R.K.V.V. Sint Clara, de heer Kobus Waterman. Wie de dames waren, kon ik niet zo goed zien, want zij hadden hun kledij uitgetrokken en lagen gebogen over het rozenhekje. Ik kon ze dus niet en face zien. Wat de vier daar deden, wil ik hier niet zeggen, want ik breng anderen maar op ideeën. Wel heb ik de volgende ochtend, de ochtend van de wedstrijddag, direct de heer Waterman zijn onmiddellijke ontslag aangeboden als trainer, welk ontslag na enig tegenstribbelen ook werd aanvaard.’
Toen de pastoor als mentaal begeleider van zijn jongens in de bus stapte en ook het team instapte, merkte men op dat er geen trainer was. Is ie ziek? luidde één der vragen die opkwamen bij de jongens.
De pastoor: ‘Toen zei ik: de heer Waterman is niet ziek, maar ontslagen wegens onwelvoeglijk gedrag. Wat voor onwelvoeglijk gedrag? vroegen de jongens. Toen heb ik ze uitgelegd wat ik had gezien, die nacht. Wauw, reageerden de jongens. Ze eisten de terugkeer van de heer Waterman, maar ik legde ze uit dat dat ontslag onomkeerbaar was. Daarop verklaarden de jongens in staking te gaan. Er was zelfs een groepje dat mij bedreigde, maar ik kon enige tijd later ontsnappen en de voorzitter van Kolping Boys bellen.’
De heer Verver, trainer van Kolping Boys: ‘Het is een schande! Dat er zomaar een collega van je wordt beschadigd, in het openbaar! Onze voorzitter kwam nog naar me toe, en die zei dat Kobus daar weg moest omdat hij een seksueel dier was. Een schande! Maar ja, zo gaat het in het hedendaagse voetbal.’

woensdag 29 september 2010

Godvèrdegodver verdwenen

Zojuist is, met stille trom, vertrokken: de Dirkswoudse beeldhouwer Cees van Dam (1960-2010). Een schok is door het dorp gegaan, en ook door beeldhouwend Nederland. Men zal zijn werk missen, en ook de persoon Cees van Dam.
Cees van Dam werd geboren als oudste zoon van Ineke van Dam. De vader  is helaas nooit bekend geworden. Ineke leidde een bestaan als morfiniste (‘Ik heb een zeer kalme jeugd gehad, mijn moeder vroeg mij nooit iets. Nooit! Zij was een heroïniste,’ aldus Cees). Na Cees kwamen er nog zijn broers en zuster Carin, Coos en Caesar, die allemaal bekenden van de politie zijn geworden.
Zo niet Cees! Hij ontworstelde zich van zijn achtergrond en ging op zijn achttiende jaar studeren aan de Rietveld Academie, te Amsterdam, en hij koos daar de afdeling: vrij beeldhouwen.
Pieter Monchius, leraar beeldhouwen: ‘Het was onmiddellijk al duidelijk met wat een ongelooflijk talent we te maken hadden. Hij stak boven alles uit. Om op zo’n jonge leeftijd al De puinhoop te kunnen produceren! Het deed ons echt versteld staan.’
Nadat hij, na slechts twee jaar Rietveld-onderwijs, cum laude afscheid nam van de school, trouwde hij met Anneke Klaver. Ze vestigden zich in Dirkswoud, aan de Noordervaart 126. Het huwelijk zou een kort bestaan leiden. Cees van Dam: ‘Anneke was gehoorgestoord. Ze kon niet tegen het geluid van het schrapen en slijpen van steen. Ik zeg tegen haar: dan moet je maar gaan. En ze ging.’
Het jaar erna werd Cees soms gezien, midden in de nacht, struikelend over zijn benen. Hij leed aan drankzucht. ‘Maar die heb ik getemd. Ik ben weer aan het werk gegaan. Hard aan het werk.’ Cees zocht nu zijn steenmateriaal bij de hunebedden, die rondom Dirkswoud staan.
De oude Dirkswoudse schrijver Fer de Graaf over Cees van Dam: ‘Hij leefde weer op tussen de hunebedden. Tussen de stenen waarmee hij mocht werken, die al millioenen jaren geleden waren achtergelaten. Een hoogtepunt was wel zijn serie De ijstijd, waarmee hij nationaal en internationaal doorbrak.’
Later geraakte Cees van Dam in diepe depressies. Zijn werken werden kleiner en kleiner. Er waren nog wel hoogtepunten (Het niets!), maar ze werden niet meer opgemerkt in de kunstwereld.
Lerares op Basisschool ‘De Oot’ te Dirkswoud, Maartje van der Naald, die Cees in de laatste jaren van zijn leven verzorgde: ‘Het was afgelopen met Cees. Hij beeldhouwde nog wel een beetje, maar je zag wel dat de geest eruit was. Het is goed dat hij gegaan is. Wat een verschrikkelijk leven kan een mens hebben. Als er complimenten over zijn werk kwamen, zei hij: dat is geweest, dat is over, dat is voorbij. Hij zal gemist worden in het straatbeeld.’

dinsdag 28 september 2010

Verder heb ik het nog niet kunnen ontcijferen

De provincie Drenthe staat bekend om zijn 52 hunebedden. De hunebedden rond het Noordhollandse Dirkswoud zijn minder bekend, hoewel het er veel meer zijn: 146 in totaal. In de jaren dertig zijn ze genummerd door archeologen: Di 01 t/m Di 146. U begrijpt nu meteen ook waar de Dirkswoudenaren hun keien vandaan halen.
Volgens diezelfde archeologen zijn de hunebedden rond Dirkswoud ongeveer even oud als de Drenthse. De stenen werden ongeveer 5000 jaar geleden op elkaar gestapeld. Door wie, waarom en hoe, dat kunnen we nog steeds niet met zekerheid zeggen.
Karel Olislager van de Dirkswoudse Archeologische Dienst (DAD) over de hunebedden: ‘Het is jammer dat het keiwerpen zo’n belangrijke sport is in Dirkswoud. Twee jaar geleden werd er een deksteen van Di 117 afgenomen en tot keien gesplitst. Daar gaat dan je werk, waar je de laatste negen jaar mee bezig bent geweest, naar de maan. Maar ja, je kunt de politie er niet op afsturen, want de politie heeft wel belangrijker dingen te doen dan hunebedden bewaken. Maar het was wel een ramp, hoor. Di 117 was een van de gaafste, nog overgebleven hunebedden. Op zijn deksteen, die nu dus helaas niet meer bestaat, stonden aan de onderzijde vreemde tekens, die wij bestudeerden. Kunt u het zich voorstellen, de hele dag liggend onder zo’n deksteen, en dat negen jaar lang? Ik kan me er soms nog over opwinden: waarom juist Di 117, denk ik dan. Had dan een andere steen gepakt! Het was een Steen van Rosetta voor ons, hunebedarcheologen. We waren een heel eind op weg met de ontcijfering van die tekens. Ik heb er natuurlijk nog wel foto’s van, en daar kun je het goed op zien, zoals bijvoorbeeld deze foto. Kijk, daar staat, en nog op rijm ook:    Onder de keien / Mag hij leien. / Hoofdman Lusferos. / Leve hoofdman Muklos! Het is toch zonde dat dat allemaal is verdwenen? De laatste twee jaar kom ik nauwelijks nog buiten, kan ik u wel vertellen. Ik zit nu de hele dag op het DAD-kantoor, ik zie geen daglicht meer. Ik zit nu die foto’s te ontcijferen, want die steen is godvèrdegodver verdwenen.’

maandag 27 september 2010

Onderwerp van mijn studiën

Ik ben vanochtend vroeg nog even naar Engelien de Vrede gegaan, ik heb nog even snel een kopje koffie met haar gedronken, ze woont op de Zuidervaart 28 te Dirkswoud. Morgen reist ze naar Kyushu (het zuidelijkste van de drie grote Japanse eilanden). Engelien studeert medicijnen, maar haar belangstelling reikt verder dan die van de meeste van haar mede-studenten.
Ik vroeg haar: ‘Wat denk je nu te bereiken op Kyushu?’
‘Op Kyushu worden de mensen bijna allemaal zeer oud. Honderd jaar is geen uitzondering.  Ze roken, ze drinken, ze bewegen weinig, wat een goed recept is voor vroege sterfte, maar nee, ze worden honderd, honderdtien jaar. Hoe kan dat. Welnu, daar heb ik een theorie over opgesteld, en die ga ik nu op Kyushu testen.’
‘Hoe luidt die theorie?’
‘Dan moet je eerst nog even weten van de dermaptera iaponica, de Japanse oorworm, die alleen op Kyushu voorkomt. Het is een kevertje niet langer dan het bovenste kootje van mijn pink, die net als de cicaden een aantal jaren ondergronds verblijven, en dan hupsakee met zijn allen naar boven komen. Vervolgens klimmen ze in de bomen (op de foto bij dit artikel ziet u drie dermaptera iaponica een boom inklimmen), ze eten van de bladeren van de boom en produceren zo een speciaal soort honingdauw. Volgens Het Boek der Levenden van  Okasu Mimamoto bevindt zich in de gehoorgangen van de ouderen te Kyushu oorsmeer met extracten van de honingdauw van de Japanse oorworm.’
‘Interessant, Engelien!’
‘Ja, en dat ga ik onderzoeken. Ik hoop een paar oorwormen te vangen en ik ga ook het oorsmeer van de ouderen te Kyushu onderzoeken. Als ze werkelijk oorsmeer hebben met de honingdauw van de oorworm, dan hoop ik ook uit te vinden hoe die honingdauw daar is gekomen.’
‘Dus: of die ouderen bijvoorbeeld onder die oorwormen bij de bomen hebben gestaan?’
‘Mijn Japans is nog niet honderd procent, maar wat ik erover gelezen heb, is dit. De inwoners van Kyushu gaan naar de bomen toe, klimmen in die bomen, vangen een paar oorwormen en tja, verder heb ik het nog niet kunnen ontcijferen.’
‘En die inwoners knijpen het oorwormpje dan leeg en gieten de honingdauw in hun oren?’
‘Het zou kunnen, het zou kunnen.’
‘En daarom worden die mensen zo oud?’
‘Dat ga ik nou juist onderzoeken.’

zondag 26 september 2010

Ik heb geen familie meer

Foto’s. Het meest onvriendelijke gezicht van Nederland is niet dat van Willem Holleeder of van Max Moszkowicz, maar van Marion Bloem, het spijt me. Ze moet eens een fotograaf opzoeken, die haar zegt: links staat het publiek, maar daar hoef je niet zo naar te kijken. Ook niet zo doordringend naar rechts kijken, alsjeblieft. Gewoon even ontspannen, da’s alles.
Er zijn van mijzelf zeer weinig foto’s gemaakt, na mijn veertiende jaar. In dat jaar (1967) reden mijn vader en moeder zich in hun oude, zwarte VW kapot tegen een muur bij Valence, Frankrijk. Mijn jongere zusje Lena en ik logeerden bij mijn opa en oma van moederskant. Toen we het nieuws hoorden van het overlijden van mijn ouders, zeiden mijn opa en oma: blijf maar hier. Ik zou ook niet geweten hebben waar we anders naar toe hadden moeten gaan: mijn vader en moeder waren allebei enig kind geweest, mijn opa en oma van vaderskant waren al dood. Meer familie hadden we niet dan die lieve oma en die ietwat tyrannieke geitenhouder van een opa.
Lena stierf, op zeer raadselachtige wijze, drie jaar later. De politie vond strychnine in haar bloed, of zoiets. Mijn opa stierf niet veel later door kanker, mijn oma ging een paar jaar later. Toen ik twintig was, had ik geen familie meer.
Ik bleef in het huisje van mijn opa en oma wonen (daar woon ik nog steeds). Ik stopte met die stomme kinderspelletjes (brandjes stichten, kikkers en katten ontleden etc.), ik ging mij bekwamen in de Nederlandse taal en werd zetter bij de plaatselijke drukkerij. Ik haalde ook mijn rijbewijs en kocht een witte Citroën Berline. Jawel, dat is dezelfde auto waarin ik nu nog steeds door het prachtige Noordhollandse landschap rijd! Toen ik dertig was, raakte ik in de WAO. Mijn depressiviteit was een te groot obstakel geworden voor een regelmatige werkkring, zal ik maar zeggen.
Ook op mijn dertigste jaar ontdekte ik Dirkswoud, dat ik tot onderwerp van mijn studiën heb gemaakt. Een mens moet toch iets doen, nietwaar. Men moet zich vastbijten in een onderwerp, en men moet dat onderwerp niet meer loslaten. Als een hond een stuk touw voor zijn kop ziet zwieren, dan probeert hij dat stuk touw ook in zijn bek te krijgen. Grrrauw!!

vrijdag 24 september 2010

Tot mijn grote genoegen

Ik heb geen familie meer — allen zijn overleden — en ook zeer weinig vrienden, dus ik ging op mijn verjaardag (de 24ste september jongstleden) naar café Amperzat op de Noordervaart 194, het café dat op de zijmuur aan de buitenkant het &-teken heeft staan. Toen ik Joop de Bruin, de barkeeper, eens vroeg naar de betekenis van dit logo, zei hij: ‘Neem nog maar een borreltje.’
Het was rustig in het café, omdat de meeste jongens aan het trainen waren voor de eerstvolgende keiwerpwedstrijd. We zaten met zijn vieren: mevrouw Josje de Waal, de heren Grouw en Van de Wetering en ikzelf.
Ik vertelde het gezelschap dat ik jarig was en tracteren zou, waarop de heer Grouw voorstelde om met zijn vieren een potje te gaan dobbeljassen. Uiteraard deed ik mee, gezelligheid kent geen tijd. Ik had het spel al eens eerder gespeeld en wist dus hoe het ging. Ik zal het even uitleggen.
De vier spelers zijn Zuid, Noord, Oost en West. Zuid en Noord spelen tegen Oost en West. Er zijn 32 kaarten in het spel: de 2, 3, 4, 5, 6, 7, de boer en de aas van de vier kleuren. Elke speler krijgt dus acht kaarten.
De puntentelling is: 1 punt voor de zes cijferkaarten, 2 voor de boer en 11 voor de aas. De troefboer echter is 20 punten waard. Verder lijken de regels op het bekende klaverjassen, dus ook de 20 of 50 punten roem tellen, en de roem voor bijvoorbeeld vier zevens is 100 punten, evenals de roem voor vier azen. De roem voor vier boeren is 200 punten.
Het aardige van het dobbeljassen is dat er twee aparte dobbelstenen in het gebruik zijn. Een vierkantige dobbelsteen, met daarop de vier kleuren van het kaartspel (harten, ruiten, schoppen, klaveren). En een achtkantige dobbelsteen, waarop 2, 3 enz. tot en met aas.
Voor elk spelletje worden beide dobbelstenen gegooid. Stel dat er harten 6 wordt gegooid. De speler die die harten 6 in zijn kaarten heeft, mag uitkomen en moet, samen met zijn maat, meer dan de helft van de punten halen.
Er worden 16 spelletjes gespeeld, waarna het totaal van de punten worden opgeteld en er een winnend en een verliezend koppel is.
Ik weet niet of het toeval was, maar tot mijn grote genoegen wonnen de heer Grouw en ik bijna alle spelletjes. Vooral Josje de Waal spekte ons, wat de heer Van de Wetering tenslotte van kwaadheid deed ontploffen. Hij zei, na 16 spelletjes: ‘Ik moet weg! Ik ga, godverdomme!’

donderdag 23 september 2010

Jij schrijft die brief

Mijne Heren,
Tot mijn grote genoegen — ik ben weliswaar geen inwoner van Dirkswoud, maar ik bezoek uw lieflijke dorp vaak, rijdend in mijn comfortabele, witte Citroën Berline. Afgelopen maandag was ik nog in uw gemeente, in verband met de feestelijke voorbereidselen voor het keiwerpen. Er werd op die maandagmiddag een kei geworpen (helaas!) naar één der feestvierders, waarschijnlijker leek het mij dat die kei geworpen werd ‘zomaar ergens naar toe’ en dat die kei voornoemde feestvierder bij toeval op het hoofd trof. Hij werd geworpen vanuit ongeveer de richting waar ik stond. Ik stond achter een tien- of twintigtal andere feestvierders. Ik heb niet gezien wie de kei gooide. Ikzelf kan het niet gedaan hebben, want waar zou ik zo een kei vandaan moeten hebben gehaald? Uit de keientros, zult u zeggen. Maar daar stond ik ver vanaf, zeker vijftig meter. De keientros wordt ook nog eens goed bewaakt door de dames Van der Star en Molenbeek. Bovendien is mijn werparm onlangs gebroken en in het Medisch Centrum Alkmaar gezet, zoals u op bijgaande foto kunt constateren. Dus: a) waar haal ik een kei vandaan? en b) hoe zou ik die kei moeten hebben geworpen? Met mijn linkerarm, zult u zeggen. Maar ik ben compleet éénarmig, heren! Ik veeg mijn billen af met mijn rechterhand, ik schrijf met mijn rechterhand, ik eet met mijn rechterhand. Ik doe alles rechts. Dus ik kan die kei nooit geworpen hebben, en zeker niet gericht geworpen hebben naar één der feestvierders. Die ik overigens in het geheel niet ken, ik heb zijn naam wel horen roepen: Ambrosius ter Vogel, of iets van die orde. Maar ik was het dus niet — tot mijn grote genoegen neemt u het onderzoek naar de moord of doodslag op genoemde Ter Vogel serieus. Het is goed om te weten dat de politie actief is in Dirkswoud, en dat men zich veilig kan wanen in uw prachtige dorp. Uiteraard blijf ik beschikbaar als getuige in deze zaak, maar veel meer dan wat ik u in dit schrijven heb verteld, weet ik niet.
Een vriendelijke groet van
uw Ben Hoogeboom.

woensdag 22 september 2010

Een te gemakkelijk doelwit

Als u hier klikt en daar de naam ‘Engelbertus’ intikt, dan krijgt u Angilbertus van Keulen en Engelbrecht Terborg (een van de martelaren van Alkmaar) te zien, maar een Heilige Engelbertus is er niet. Wie wil daar verandering in aanbrengen? Pastoor E. de Zeeuw van de St. Clarakerk te Dirkswoud.
Uit zijn preek van afgelopen zondagochtend: ‘Beminde parochianen, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen. Stilte, godverdomme! Wat wij hier in onze parochie nodig hebben, is een heilige. Een man die wij kunnen vereren, stilte!, die wij kunnen aanroepen als wij in de hoogste nood zitten. Een man — en ik zeg dit met de grootste bescheidenheid, ik buig voor u — een man zoals ikzelf. Engelbertus.
Wie wel eens gekeken heeft in een heiligenboekje, zal daar de naam Engelbertus niet tegenkomen. Daar barst het van de Jacobs en de Johannussen. Geen Engelbertus. Dat gaan wij, gelovigen van Dirkswoud, veranderen.
Nu wil het hoofdbestuur van onze kerk in het Vaticaan iemand wel zalig en daarna heilig verklaren, maar dan moet het wel gaan om iemand die een wonder heeft verricht. Ook moet hij een christelijk leven hebben geleid. Voor wat dat laatste aangaat: een christelijk leven heb ik zeker geleid. Ecce homo. Stilte! In saecula saeculorum.
We moeten ook een wonder hebben, en dat wonder hebben we. Meneer Kees Wulp, staat u eens op. De heer Wulp was vroeger hardloper, zoals u allen weet, en hij kreeg onlangs een abces in zijn rechterbeen. Het been zou geamputeerd moeten worden, volgens de heren doktoren. Maar hij kwam naar de pastorie en vroeg om hulp. Waar of niet, Kees? (De heer Wulp knikt van ja.) Ik heb toen het rechterbeen van de heer Wulp gezegend en ik heb de plaats van het abces met wijwater besprenkeld.  Lieg ik, Kees? (De heer Wulp schudt van nee.) Ga even in het middenpad staan, Kees, en doe je broek omlaag. Dan kunnen de mensen zien dat je been niet is geamputeerd. Stilte!
Doe je broek maar weer omhoog, Kees, en ga naar je plaats terug. Bij God is alles mogelijk, dat is nu wel duidelijk. Ik weet zelf ook niet wat ik precies gedaan heb, maar ik heb wel gebeden: God, laat dat rechterbeen van Kees Wulp, uw trouwe dienaar, niet verloren gaan. Alstublieft!
Dus dat wonder hebben we ook, en nu moet ik een schrijver hebben die deze hele geschiedenis in een nette brief kan opsommen, in een brief aan paus Benedictus XVI. Die brief moet maar in het Duits geschreven worden, want dat verstaat de paus. Wie kan dat? Steek uw handen maar op. Oké, Marcel, jij schrijft die brief.’

dinsdag 21 september 2010

Hij heeft hen veel ongeluk gebracht

De 44 jaar oud geworden Dirkswouder dikzak Albertianus de Vogel is gistermiddag overleden. Niemand treurt om hem. Zijn ouders niet, het dorp niet, de buitenstaanders ook niet. Niemand. Hij was een vervelende, vette kwast, zijn gehele leven lang. A mentally retarded son-of-a-bitch, zou ik zeggen, als ik Engels kon spreken.
Behalve in het besmeuren van auto’s (zoals mijn witte Citroën Berline, in 1983) was hij ook goed in het doen ontstaan van caféruzies. Joop de Bruin, houder van café Amperzat aan de Noordervaart 194, weet ervan mee te praten: ‘Ik praat nooit slecht over mijn gasten, want dat doe ik niet. Maar Albertianus was wel speciaal, al is iedereen voor mij gelijk, natuurlijk. Als Albertianus aan de bar zat, dan wist je: dat wordt vechten straks. Hij lispelde iets met zijn linkerbuurman over de vrouw van zijn rechterbuurman. Vervolgens lispelde hij met zijn rechterbuurman over zijn linkerbuurman, en dan was het knokken. Albertianus keek daar dan trots naar. Maar ik moest het dan oplossen met mijn honkbalknuppel!’
En zo ging het elke keer. Waar Albertianus was, daar werd geknokt of daar werden hete tranen vergoten. Tot gistermiddag.
Ik was speciaal naar Dirkswoud gereden in mijn comfortabele, witte Citroën Berline, voor de jaarlijkse Keien Inzamelings Middag, die steeds op de derde maandag van september wordt gehouden. Die keien worden gebruikt voor het mooie spel van het keiwerpen. De keien worden dan ook gesplitst of baaidroid (bijgeslepen) en gewogen, totdat ze het juiste gewicht hebben van 10 of 5 kilogram per stuk. De gehele Dirkswouder bevolking was aanwezig, en ook Albertianus was er. Hij is uiteraard nimmer raper geweest, want met zijn vette gestalte zou hij een te gemakkelijk doelwit zijn. Hij is ook nooit als toeschouwer aanwezig geweest bij het keiwerpen. ‘Te gevaarlijk,’ zal wel zijn laffe excuus zijn geweest.
Nu stond hij daar in de menigte, toen er plotseling een kei van 10 kilogram door de lucht vloog en op wiens hoofd belandde die kei? Op de met zijn handen in zijn broekzakken staande, niets vermoedende Albertianus de Vogel. Hij was onmiddellijk dood, een ambulance werd zelfs niet besteld. Hij wordt donderdag begraven. Eind goed, al goed.

maandag 20 september 2010

Het is inmiddels zo lang geleden

Dirk de Vrome (1126-1184) werd tijdens zijn leven, en nog lang erna, ook wel Dirk de Idioot genoemd. Hij was geboren met een ‘lam lincker oogh’, wat waarschijnlijk betekende dat hij eenzijdig blind was, en met een mentale retardatie, waardoor de verstandelijke vermogens zich niet met de normale snelheid ontwikkelden en ook nooit een normaal niveau bereikten. Hij was de oudste zoon van Graaf Dirk VI van Holland en Sophia van Rheineck. Hij heeft hen veel ongeluk gebracht.
Volgens de beschrijvingen van hofschrijver Desiderios (wie noemt zich nu Desiderios?) was hij een ‘quaatwillent mannekijn’, met wie geen land viel te bezeilen. Toen in Hasselt (Belgisch Limburg) een augustijner klooster werd opgericht, werd Dirk daarheen gezonden (1136), maar ook daar kon men hem niet de baas, en hij keerde na een jaar weer terug in de boezem van de eigen familie. Hij werd wel Dirk de Vrome genoemd, na dit jaartje klooster.
Het moet een groot geluk voor het graafschap Holland worden genoemd dat niet Dirk maar zijn jongere broer Floris III de graaftitel kreeg, na het overlijden van zijn vader. Er zijn brieven van de hand van Dirk de Vrome bekend, gericht aan paus Alexander III, waarin hij voorstelt een Orde van Alessandrianen te stichten (uiteraard onder zijn eigen leiding), die zich zou gaan bezighouden met het ‘kuisen van waereltse geleeghenheeden’. Het verbranden van drinkgelegenheden, hoerenhuizen, huizen van marktkooplieden etc., bedoelde hij. Het is er gelukkig niet van gekomen.
Dirk de Vrome is nooit gehuwd geweest. Wel zijn nog enige beschrijvingen overgebleven van betrekkingen die hij had met Anna van Dirxwoude, een ‘sinnigh kint’. Wij weten niet of dat ‘sinnigh’ verstandig betekent of iets anders.
In 1182 werd hij door zijn broer Floris III tot Graaf van Hoorn benoemd (waarschijnlijk om van alle ruzie en herrie af te zijn), in 1183 gaf hij Dirxwoude de stadsrechten, waarom zijn Anna hem had verzocht, en in 1184 stierf hij. God hebbe zijn ziel.

zondag 19 september 2010

De Aardappelrellen in Dirkswoud

De Aardappelrellen van maandag 15 mei 1922 waren kort, hevig en verwoestend. Wat vooraf ging. Iedereen kent wel de Opperdoezer Ronde, een geweldig lekkere aardappelsoort die alleen goed wil groeien op de zavelrijke gronden rond de dorpen Opperdoes en Dirkswoud. Deze aardappel is een vastkoker met een dunne, gele schil en met weinig zetmeel en veel vitamines en hoogwaardige eiwitten. Een delicatesse. Als je ’m kookt, kun je volstaan met wat gesmolten boter erbij.
In april 1920 besloten twee Dirkswouder tuinderszoons (Gundert en Wiert van der Peet) op een bakfiets naar de aardappelgronden rond Opperdoes te rijden. Daar stalen ze een bakfiets vol aardappelplanten, en daarmee gingen ze terug naar Dirkswoud. Daar werden ze in de grond gezet en twee jaar later was er een grote oogst Dirkswouder Ronde op komst.
Dit was niet naar de zin van de Opperdoezers. Op 15 mei 1922 kwamen ze in de vroege ochtend met 20 of 25 man naar Dirkswoud. Ze vernielden de gehele oogst door de planten met knollen en al uit de grond te trekken, op een hoop te gooien en ze in brand te steken.
Dit vuur werd natuurlijk opgemerkt door de Dirkswoudenaren, ze stormden erop af. Een vechtpartij ontstond (er viel één dode, er waren ook vele gewonden) en tijdens de woeste achtervolging door het dorp sneuvelden nog vele ramen.
Dus zo komt het dat er geen Dirkswouder Ronden bestaan. Het is inmiddels zo lang geleden dat ook de Dirkswoudenaren u de Opperdoezer aardappelen van harte aanbevelen.

vrijdag 17 september 2010

Het nieuwe lid

Het nieuwe lid van de Genealogische Vereniging Dirkswoud (GVD), Koert Zwemmer, wil eens rustig gaan uitzoeken hoe het nu zit.
‘De toestand is deze. Mijn vader heette Gerard Zwemmer. Hij leefde van 1925-1986. Hij was enig kind. Mijn moeder was Annie Klaver (1927-1989). Tot zover is alles zeker en duidelijk. Niets aan de hand. Maar we gaan een generatie terug. Mijn oma van vaderskant heette Gonnie de Koning, ze leefde van 1901 tot 1974. Haar man heette Gerrit Zwemmer, en die leefde van 1898 tot 1922. Hij overleed tijdens de Aardappelrellen in Dirkswoud, en dat klopt, die waren in mei 1922. Gerrit had geen broers, alleen maar twee zusters. Dus hoe kan dat nu? Grootvader dood in 1922. Drie jaar later wordt mijn vader geboren, en die heet toch Zwemmer. Hoe kan dat?’
Ga dat maar eens kalm uitzoeken, Koert. Ondertussen vertel ik het verhaal van Gonnie de Koning (1901-1974).
Gonnie was een slim kind, maar ze leefde in een tijd waarin er aan slimheid, vooral van meisjes, nog geen aandacht werd gegeven. Ze moest op haar 14e jaar gaan werken in de melkzaak van De Boer. Ze stond achter de toonbank in de winkel. Daar ontmoette ze Gerrit Zwemmer, in 1919. ‘Bent u huwbaar?’ zouden zijn eerste woorden zijn geweest. Een jaar later waren ze getrouwd.
Gerrit was een kerel die vooruit wou in de wereld, en ze openden het nog steeds bestaande hotel-restaurant Zwemmer aan de Noordervaart 202. Het hotel-restaurant liep meteen goed, vooral door Gonnie’s slimheid en zorgzaamheid. 
In mei 1922 overleed inderdaad Gerrit: hij stond aan de kant van de weg te kijken naar de rellen, kreeg een klap, viel en was dood. Dit was voor Gonnie niet een aanleiding om het hotel-restaurant nu maar te sluiten. Integendeel: ‘Zwemmer blijft bestaan!’ De zaak bleef maar groeien en groeien.
In 1924 ontmoette ze Arnold van der Poel, die toentertijd ‘de dorpsschavuit’ werd genoemd. Ze raakten verliefd op elkaar, het kwam zelfs zo ver dat Arnold kwam wonen in het hotel-restaurant. Gratis uiteraard, want liefde maakt blind. Arnold was een vechtersbaasje en moeilijkhedenzoeker, en in 1927 moest hij het veld ruimen.
Het is zéér waarschijnlijk dat Gonnie bij het aangeven van haar zoon Gerard op het gemeentehuis wat kleine corruptie heeft gepleegd. De achternaam werd Zwemmer. Het is ook zéér waarschijnlijk dat de achternaam eigenlijk Van der Poel moest zijn, en dat jij dus, Koert, een nazaat bent van dorpsschavuit Arnold van der Poel.

donderdag 16 september 2010

In de middeleeuwen ging dat dus heel anders

Aanwezig
De heren E. de Zeeuw (pastoor), G. Dekwaadsteniet, B. Montferrier, K. Gravemaker, C. de Wild en mevr. I. de Groot zijn aanwezig. Niemand heeft afgezegd.


Notulen
Geen op- of aanmerkingen op de notulen van de vorige vergadering.


Woord van welkom
Pastoor E. de Zeeuw richt zich tot mevr. I. de Groot, het nieuwe lid. Hij heet haar welkom.


Woorden van condoléance
Pastoor E. de Zeeuw gedenkt de helaas overleden heer D. Kraats, de voorganger van mevr. I. de Groot als lid van de kerkeraad. ‘Gedachtig zij de Heer. Het leven van Dirk was lang en zegenrijk.’
De heer K. Gravemaker voegt hieraan toe: ‘Wij willen U, o Heer, bedanken dat wij zo lang van Dirk’s gezelschap hebben mogen genieten.’


Bouw nieuwe St. Clarakerk
Pastoor E. de Zeeuw: ‘De oude kerk heeft voldaan, er moet een nieuwe komen.’ Hij richt zich tot mevr. I. de Groot, wier man een aannemingsbedrijf bezit. Kan er zo snel mogelijk een offerte voor een nieuw te bouwen kerk komen? Mevr. I. de Groot zegt dit toe.
Kan die offerte er dan vóór de volgende vergadering zijn? Mevr. I de Groot: ‘Uiteraard.’
Pastoor E. de Zeeuw overhandigt haar de bouwtekeningen, die vol aantekeningen en krassen zitten. ‘Die heb ik niet gemaakt, die zijn van de Hand van God,’ verklaart pastoor E. de Zeeuw.
De heer K. Gravemaker vraagt naar de plaats van de nieuwe kerk. Pastoor E. de Zeeuw antwoordt hierop: links van de oude kerk en de pastorie. Moet er dan ook niet tegelijk een nieuwe pastorie gebouwd worden? Dit is niet nodig, zegt pastoor E. de Zeeuw, de oude pastorie voldoet nog steeds.


Slotgebed
De dame en heren bidden voor het welslagen van de bouw van de nieuwe St. Clarakerk.

woensdag 15 september 2010

‘Roest ruist!’

In het atelier van beeldend kunstenaar Johan Kopweelders zijn we maar één dag per jaar welkom, maar dan loopt het ook storm op de Zuidervaart 245. Johan is een autodidactisch kunstenaar die werkt het met materiaal ijzer.
‘IJzer is het spannendste materiaal dat er is,’ zegt Johan, ‘want het roest zo snel. In de 19e eeuw bouwden ze in Engeland ijzeren bruggen. Die zouden wel eeuwen blijven staan, dachten ze. Er is er geloof ik niet één meer van over. Allemaal weggerot, weggeroest. De tijd is sterker dan het ijzer.’
Op de dag dat we dit jaar in zijn atelier mochten langskomen — zondag 11 juni, het is elk jaar weer een andere dag en een andere datum, ‘om los te komen van de beknellende regelmaat,’ zoals Johan zegt — waren er zo’n twintig mensen, die ook allemaal een kopje koffie van Johan kregen, geschonken in ijzeren kommen van verschillend formaat, sommige met een oortje, andere met een grote handgreep, weer andere met helemaal niets. ‘U moet de roest weer leren smaken,’ zegt Johan, ‘want dat hebben wij moderne mensen verleerd sinds de middeleeuwen. U eet wel spinazie voor het ijzer dat uw lichaam nodig heeft, maar in de middeleeuwen ging dat dus heel anders.’
Daarna deed Johan een deur open en kwamen we in het eigenlijke atelier, in het midden waarvan een enorm ijzeren beeld stond, temidden van hamertjes, mokers, messen, trappen, een steigertje e.d.
‘Raadt u eens wat dit is?’ vroeg Johan aan de menigte.
‘Is het... eh, abstracte kunst?’ zei een mevrouw.
‘Nee hoor. Niks abstracts aan. Dit is het beeld dat voor de zaak van kapper Hoestal zal komen te staan. Het heet Haardracht. Ziet u het nu?’
Ik zag wat het was: een ijzeren kapsel van wel drie meter meter omvang en drie meter hoogte. Het leek een beetje op het kapsel van koningin Beatrix.
Terwijl Johan verder ging met uitleggen, besloot ik mijn gedachten te wijden aan zijn zeer grote collectie messen. ‘De meeste komen van mijn Zeeuwse voorouders,’ zou Johan later zeggen, ‘het zijn echte werkmessen, ik zou niet zonder ze kunnen.’

dinsdag 14 september 2010

Dat moeten we eerst bestuderen

Pier Hanink van IJzerhandel Hanink (Oosterzij 39) is er zeker van: de gemeentelijke subsidie op hekken gaat verdwijnen. ‘Het is jammer dat we nooit een PvdA in Dirkswoud hebben gehad, die hebben we altijd verketterd. En terecht natuurlijk, het socialisme. Als ze al bestaan zouden hebben, dan zou je er alleen in de grootste nood mee moeten samenwerken. Maar nu is het me toch wat, met het CDA,’ zei Hanink vanochtend.
De heksubsidie spoorde de mensen aan, hun erfafgrenzingen op tijd te vernieuwen. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw werden er formules gebruikt zoals ‘Roest ruist!’ en ‘Berg uw spullen op als uw hek niet tenminste 2.50 m hoog is!’
‘We moeten,’ zegt de heer Hanink, ‘met het CDA niet teveel naar rechts draaien. Niet teveel naar de misdadigheid, bedoel ik. Daarmee bedoel ik niet, dat we nu zomaar naar links moeten draaien, maar we moeten ons niet in de misdadigheid schikken. Een hek voor je deur, dat is een normaal iets. En ik hoor nu al tekenen uit de Dirkswoudse samenleving: geef ons onze hekken! Daar sluit ik mij graag bij aan.’
De voorzitter van de CDA-fractie in de gemeenteraad, de heer Antonissen, geeft desgevraagd het volgende antwoord: ‘Het bezwaar van de heer Hanink kennen wij. Wij hebben nog helemaal geen besluit genomen over de hekkensubsidie, maar het ligt begrotingstechnisch wel heel moeilijk. Wij kunnen de centjes maar één keer uitgeven, zoals u weet. Keuzes, die moet je maken.’
‘Dus die hekkensubsidie gaat eruit.’
‘Nee, dat heeft u mij niet horen zeggen.’
‘Oh?’
‘Ik zei alleen maar dat het — wellicht — financieel een te groot offer zou blijken te zijn.’
‘Dus als u dat kunt oplossen, dan...’
‘Ook dat heeft u mij niet horen zeggen. Ik zeg: laat ons alle problemen eerst eens oplossen, en daarbij de hekkensubsidie serieus bekijken.’
Het CDA aan het woord, kortom. De hekken zullen verdwijnen.

zondag 12 september 2010

Het debat hierover moet nog beginnen

Volgens de Wet Gemeentelijke Herindeling, die in Den Haag al aangenomen is in de jaren negentig, voor zover ik weet, is het nu ook de beurt aan Dirkswoud en De Kaagsteeg om samen te gaan. Er leven veel bezwaren in Dirkswoud tegen dat samengaan.
Ten eerste gelooft men niet, maar laat ik eerst een beschrijving van De Kaagsteeg geven. De Kaagsteeg ligt twee kilometer ten zuiden van Dirkswoud. ‘Het ligt dus niet in,’ aldus vele Dirkswoudenaren, ‘maar buiten Dirkswoud.’ De Kaagsteeg is een gehucht dat nog geen 300 inwoners telt, oorspronkelijk was het een heerlijkheid van de heren Van Blaks. Toen de laatste Van Blaks stierf, in 1863, werd het een zelfstandig dorp met een eigen gemeentehuis.
Zoals veel Amsterdammers een beetje neerkijken op Haarlem en de Haarlemmers, zo kijken de meeste Dirkswoudenaren neer op De Kaagsteeg. De algemene opinie in Dirkswoud: ‘Vechtersbazen, allemaal in een uitkering, maar ze rijden wel in Mercedessen.’ Dat de Kaagstegers vechtersbazen worden genoemd, vindt misschien zijn oorsprong in de vele vechtpartijen die plaatsvinden tijdens de Dirkswouder kermis (die steeds plaatsvindt in het eerste weekend van september), en in de vele ruiten die tijdens de kermisdagen worden ingegooid, hoewel Schilder Minder daarover niet klaagt. Hij heet Minder, Joop Minder. Hij zet ook uw nieuwe ruiten erin.
Hoe het ook zij, er schijnt een zeker lager moreel besef te zijn in De Kaagsteeg. Dat kan ook komen doordat in De Kaagsteeg bijna niemand gelovig is, in tegenstelling tot Dirkswoud, waar bijna iedereen het katholieke geloof aanhangt.
Er moeten nog gemeentelijke debatten plaatsvinden, in zowel de gemeenteraad van Dirkswoud als in die van De Kaagsteeg. De Kaagsteeg is zonder meer voor samenvoeging. Dirkswoud twijfelt nog, want hoe zal het dan gaan met de stadsrechten van Dirkswoud. Wethouder A. Braas, die binnenkort naar Den Haag zou gaan om dit heikele punt daar te bespreken: ‘Dirkswoud an sich is een stad. Een stadje. Volgens de regeling in het jaar 1183 met Graaf Dirk van Hoorn. Toen heeft Dirkswoud stadsrechten gekregen. Als Dirkswoud nu groter zou worden, dan weet ik het nog niet zo direct. Dus dat moeten we eerst bestuderen.’

Ze spelen wat, ze dartelen wat

Dierenwinkel De Kariboe (u vindt deze winkel op de Zuidervaart 137 in het landelijke Dirkswoud) loopt een stuk minder goed dan ze verwacht hadden. Het komt door de geringe aanvoer van laboratoriummuizen. Die muizen worden niet gekocht door meisjes die van muisjes houden, ze worden gekocht door mensen die slangen houden. Pythons. En daarvan zijn er nogal veel in Dirkswoud.
Een paar jaar lang is het de gewoonte geweest voor de katholieken van dit dorp om de python te redden van de ondergang (door de wereldwijde uitroeiing van hun natuurlijke leefgebied). Daar speelde De Kariboe handig op in — als ze het bericht zelf al niet verspreid hadden — en zo is het gekomen dat vele Dirkswoudse huishoudens nu een halve kamer gevuld hebben met terraria met daarin twee of drie pythons.
De remedie die De Kariboe nu uitprobeert, is een grootschalige invoer van grootoorspringmuizen, maar ‘dat wil nog niet erg lukken op Schiphol,’ zegt Arnold Heuvemaker van De Kariboe. Het is inderdaad een vreemde soort op de Nederlandse weiden, maar wat zou dat schelen als ze als voederstof gebruikt zouden worden?
Arnold is een zaak begonnen tegen de Nederlandse staat, om een beperkt aantal grootoorspringmuizen toe te laten, mits zij worden gebruikt als voedsel voor pythons e.d., en nergens anders voor.
Natuurlijk is daar de gehele pythonhoudende bevolking van Dirkswoud zeer vóór. Jacob Bruinsma (eigenaar van een terrarium met diverse pythons): ‘Wat kèn daar nou tegen zijn? Niks toch? Je haalt een muis van buiten, omdat je zelf geen muizen meer hep. Wat is daar nou tegen? Bovendien. Je haalt een muis van buiten, die daar geen deel van leven heeft. Die muizen leven daar in de woestijn, meneer! Laat daar de regering zich eens over beraadslagen. De Gobi woestijn, dan heeft zo’n muis toch een veel beter leven bij ons, in het westen? Toch? Wat hoort zo’n grootoorspringmuis daar nou? Die hoort niks in de Gobi! Het is veel beter als dat soort dieren hier komen, en de kans krijgen om werkelijk iets te doen met hun oren. Zo zie ik dat.’
Het debat hierover moet nog beginnen in de Tweede Kamer.

zaterdag 11 september 2010

Wen er maar vast aan

‘Wen er maar vast aan,’ zei boer Barend Lolkema, die woont op de Oosterzij 2, in het uiterste noordoosten van het landelijke Dirkswoud. Zijn boerderij is een tamelijk vervallen kop-hals-rompboerderij. Hij houdt nog wat kippen en ter bescherming van die levende have zet hij elke avond strikken uit rond zijn boerderij, want ‘ik weet de vos te lopen’, zoals Lolkema je op samenzweerderige toon mededeelt. ’s Ochtends vroeg haalt hij die strikken weer weg, want dan loopt ‘de vos’ er niet meer
Lolkema is opstandig, hij vertrouwt zijn medemens lang niet altijd. Hij bekritiseert zijn dorpsgenoten voortdurend. Hij bekritiseert iedereen en wee je gebeente als je op die kritiek antwoordt: ‘Het valt toch wel mee?’ Het valt namelijk nooit mee.
Telkens als ik in Dirkswoud ben, ga ik even naar Lolkema om een doosje verse eieren. Afgelopen maandagochtend probeerde ik zijn erf op te lopen, maar ik kwam met mijn linkerbeen in een strik terecht. Het deed flink zeer, Lolkema kwam direct op me af, en zei: ‘Wen er maar vast aan, want de vos loopt nu ook overdag rond. Dus ik heb nu een 24/7 bescherming nodig voor mijn kippen.’
Hij gaf me een doosje eieren, en zoals gewoonlijk bepraatten we de dagelijkse dingen.
‘Gisteren was er weer zo’n promecessie,’ begon hij deze keer. ‘Daar loopt dan de pastoor onder zo’n luifel te schitteren, met de hele bevolking erachter. Een toeterfanfare zat er ook weer bij, met natuurlijk de hele jeugd meemarcherend. Ik vind dat allemaal best, hoor, maar vlakbij mij moeten ze overstappen in de boâte en gaan ze de Noordervaart op. Een hele beweging is dat. De mooiste boât is natuurlijk voor de pastoor, dus die wijdt hij in. En terwijl hij bezig is die boât in te wijden, lopen er een paar kinderen mijn erf op. Kinderen vind ik nog het minst erg. Ze spelen wat, ze dartelen wat. Nietwaar? Plotseling hoor ik een ijselijke kreet. Eén van die kinderen was in een strik gelopen. Net als jij daarnet. Ik erop af. De pastoor stopt ook met zijn rituelen, die komt er ook op af. En ik probeer hem nog af te weren, maar hij stormt mijn erf op, en ja hoor. Hij loopt ook in een strik. Zo heb je altijd wat.’

woensdag 8 september 2010

Gee fou ontgaa haa

Juist dit weekeinde is het pensioen van Johanna van der Vlaai gekomen. Haar opvolger als corrector bij De Dirkswoudenaer is: Gerard Klever, een nog zeer jonge medewerker. We hopen dat hij zijn werk even goed zal doen als Johanna het al die jaren heeft gedaan.
We hadden een gesprek met Johanna. Ze woont op de Noordervaart 215, een kleine woning op de eerste verdieping.
- Ik ben nooit verliefd geworden, nee. Ik ben altijd alleen geweest. Geen hond die zich met mij bezig hield. Er is ooit wel een kans geweest, maar de man spelde murw als murv, en dat sloot de deur. De man was ook verder onverdraaglijk, hoor. Hij zei bijvoorbeeld: zullen wij tweeën eens wedden, en dan had hij weer een weddenschap. Of dan had hij weer het idee om samen te gaan bridgen. Weet u, ik kan ook helemaal niet tegen blonde mannen.
- Zelf bent u blond. Of blond geweest, tenminste.
- Ja, maar een man moet zwart haar hebben. Naar zwart neigend tenminste.
- Nog steeds?
- Ja, nu mag hij wel grijzend haar hebben. Grijs, golvend haar.
- Dank u.
- Uw haar was toch zwart vroeger?
- Het was zwart, ja.
- Dat meen ik me tenminste te herinneren. Knappe jongen, dacht ik altijd.
- Ik had u wel eens ontmoet op het ijs, in 1962 of ’63. Toen waren we allebei nog heel jong en heel verlegen. Dus toen kwam het er niet van, zal ik maar zeggen.
- Dat herinner ik me niet meer.
- En die trouwerij van uw neef John of Johan, een jaar of twintig later?
- Johan. Vlerk van een jongen. Anja is trouwens al van hem gescheiden en dat verbaast me niets. Een man moet ook een voornaam van één lettergreep hebben: Max, Ben, Koos, Piet, Klaas, Joop, Gert, Iep. Dat je hem binnen kunt schreeuwen: ‘Max! Eten!’ Als hij Karel of Sytze heet, dan gaat dat minder makkelijk.
- Dat is jammer.
- Hoezo?
- Ik heet Gerard.
- Daar maak ik Grard van. Wen er maar vast aan.

maandag 6 september 2010

Enkele leden van de redactie

De Goede Dirkswoudenaer werd opgericht in 1896 door de heren Pieter Kroft en Anton Kruyenaar (nog steeds bekend van het rijmpje: ‘Kroft en Kruyenaar maken geen fout in De Goede Dirkswoudenaer’). De krant verkortte in 1946 zijn naam door het Goede eruit te halen omdat, zoals de toenmalige redactie het verwoordde: ‘Wij niet willen pochen op het werk onzer krant in de voorbije oorlogsjaren.’ En inderdaad, het kantoor van de krant fungeerde in de Tweede Wereldoorlog als een adres waar verzetslieden en Joden terecht konden wanneer zij onderduik zochten.
Tegenwoordig is het uiteraard een modern bedrijf. Wij stellen u graag enkele leden van de redactie voor.

Bert Koper
Hoofdredacteur sinds 1972. Van 1962 tot ’65 was hij een bekend keiwerpraper, totdat hij door een hoofdblessure afscheid van zijn sport moest nemen. Hij spreekt nog steeds moeilijk, maar blijft een geweldige hoofdredacteur, die met zijn luidkeels uitgesproken ‘Rrroeien!!’ poogt de roeisport in Dirkswoud ingevoerd te krijgen.

Karel van Vlaanderen
Adjunct-hoofdredacteur sinds 1984. De man die uiteindelijk de beslissingen neemt: nemen we dit stuk wel of niet op. Een autoriteit. Een man die zijn zaakjes kent. Beoogd opvolger van Bert Koper. Zijn kwaliteit moge blijken uit een artikel dat hij al in 1993 in De Dirkswoudenaer publiceerde: ‘De kwade gloei van het internet.’

Johanna van der Vlaai
De opmaakredactrice en correctrice. Gee fou ontgaa haa, en bovendien zorgt ze voor de bloemetjes op het kantoor!

Sjaak Poort
Redacteur sportzaken met een grote kennis van het keiwerpen. Ook heeft Sjaak goede kennissen in het voetbal, met name bij eredivisionist FC Den Haag, waar hij geregeld dingen oppakt zoals: ‘We zullen ze eens wat laten ruiken!’

Frits ten Hemelen
Politiek redacteur. Hij heeft zich tijdens de formatie van het rechtse kabinet niet daarmee bemoeid (‘Een kansloze missie’), maar met de interne bewegingen bij D66, die hij omschreef als: ‘Links of rechts. Het maakt ons geen donder meer uit.’

Kees Klamer
Puzzleredacteur en nog steeds keiwerper (raper). Als u zijn puzzles wilt oplossen, zoekt u het liefst naar woorden als ‘communio’ of ‘sacristie’ en dergelijke. Kees is zeer katholiek, hij gelooft ook dat het raperschap hem behoedt voor vreemde invloeden.